zaterdag 23 november 2019

Piëta met hond (12) / Kees en professor Brill (vervolg)




PIËTA MET HOND


10


Kees en professor Brill (vervolg)





'En jouw vader, wat doet die?' vroeg Kees terug.
  'Wat mijn vader doet?' vroeg ik.
  'Ja, wat doet hij? Of heb je soms geen vader?' 
  'Nou,' zei ik, 'vroeger bezat hij een textielfabriek waar bustehouders gemaakt werden. Wat hij nu doet weet ik niet. Toevallig heb ik 'm vandaag weer gezien. Ik denk dat hij nu een automonteur is. Z'n huis staat vol auto-onderdelen en gereedschap.'
  Een jonge vrouw in de rij naast ons keek verlangend naar Kees. Ze kwam naar 'm toe. Ze stapte uit haar rij, waarin ze al een heel eind gevorderd was. Ze vroeg of ze aan Kees z'n krullen mocht zitten, wat mocht van Keeshij was het gewend en hij was vrijgevig. Of moest je het inhalig noemen? Ach wat, het kwam op hetzelfde neer.
   Ik sloeg een arm om hem heen omdat ik 'm zo graag mocht.
   Dat had ik van m'n vader, was me opgevallen.
  Achter ons in onze rij hoorde ik een man zeggen (maar dit kan ook verbeelding geweest zijn): 
  'Kijk eens naar die twee jongens, wat een goede vrienden ze zijn.   Waarom heb ik niet zo'n goede vriend?'
  'Stel je niet aan,' zei een andere man, 'wie weet wat een ongelukkige jeugd die twee hebben gehad.' 
  'O, maar ik heb juist een heel gelukkige jeugd gehad.' 
  'Nou dan, geluksvogel die je bent.' 

  'Hoe ziet je vader eruit, wat voor een hoofd en lichaam heeft hij,' vroeg Kees.
  'Wel,' zei ik, 'bij z'n ogen zijn kraaienpootjes waardoor het lijkt alsof hij altijd lacht, wat niet zo is, en in zijn voorhoofd zitten denkrimpels, hoewel hij intelligent is. Hij heeft groene ogen en aan één oor is hij doof. In de oorlog is zijn ouderlijk huis getroffen door een brandbom, waardoor hij een litteken heeft dat vanaf z'n neus langs z'n mond naar z'n kin loopt. Het litteken is heel zacht. Hij is zo sterk als een bizon en hij is bijna kaal.' 
  Kees liet de informatie op zich inwerken.
  Toen zei hij: 'Ik ben zo terug. Ik moet even iets controleren.'  
  'Wat moet je controleren?' vroeg ik.
  Maar hij was al weg.
  Toen hij terug was vroeg ik:
  'En, klopte het, wat je moest controleren?' 
  'Ja, het klopte.' 
  'Weet je het zeker?' 
  'Nee.' 
  En daar ging hij weer. Hij was zo nieuwsgierig. Hij wist niet hoe hij z'n nieuwsgierigheid in bedwang moest houden. 
  Het was een lange rij waar we in stonden. Het schoot niet op. Af en toe keek ik achterom of professor Brill er aankwam. Vóór in de rij werd gevochten om elke centimeter. Een oude vrouw beschuldigde een oude man van dringen en voorkruipen.
  'Hé, jij voorkruiper. Een plaatsje naar achteren alsjeblieft.' 
  In het midden van de rij werd levendig gediscussieerd over allerlei zaken van levensbeschouwelijke aard. De één had het over een zekere prins Rudolf, een theoreticus van het geduld, de ander kon z'n mond niet houden over Quintus Fabius Maximus Conctator, die z'n vijanden versloeg door veldslagen eindeloos uit te stellen. Weer een ander raakte niet uitgesproken over Jean Tinguely, een Zwitserse bespotter van snelheid en nuttigheid (we waren in de intellectuelenbuurt).
  Kortom, er was een hele filosofie van de traagheid en de nutteloosheid aan het ontstaan, terwijl achterin de rij de hoffelijkheid hoogtij vierde:
  'Gaat u toch voor mevrouw, ik heb de tijd, wat maakt het nou uit of u een plaatsje voor mij staat of ik voor u?' 
  Waaruit maar weer eens blijkt dat wijwij mensen, bedoel ikvriendelijker worden naarmate we verder verwijderd zijn van ons doel.
  Veel winkelwagens waren gevuld met etenswaren en wc-papier.
  Ik vond het altijd fijn om in een rij te staan, maar nu niet, want elk moment kon professor Brill eraan komen.
  En dus kneep ik er tussenuit. Als een angsthaas, als een paniekhaas. 
  'Tot later,' zei ik tegen Kees. 
  En tegen mezelf:
  'Kijk nou toch wat een paniekhaas je bent. Een groot man is nooit in paniek. Die is tegen alles opgewassen. O, was ik maar een groot man. Met standbeelden van mij op alle luisterrijke pleinen van de stad.'
  Maar daar ging niks van terecht komen, dat wist ik nu al, daar hoefde ik geen honderd jaar voor te worden. M'n zintuigen werkten veel te goed. De zintuigen van alle angst- en paniekhazen werken goed. Ze hebben alles door. Ze zien alles. Het zijn net kleine dieren onderaan de voedselketen. De oortjes bewegen constant heen en weer. De oogjes draaien almaar in het rond. Het neusje snuffelt en snuffelt. En bij het minste geringste, prrrt, zijn ze er vandoor. 
  Een groot man is kalm. Zo'n man moet zich eerst eens even uitrekken, de ledematen strekken, eerst de voorpoten, dan de achterpoten, als een leeuw. Je kent dat wel.
  En ik zal je nog wat vertellen: als een kleine man iets verkeerd doet, dan loopt meteen alles in de soep. Maar de vergissing van een groot man is een mijlpaal in de geschiedenis. Het is een grootse daad. Het komt in de geschiedenisboeken.
  Zulke dingen dacht ik terwijl we eindelijk het uitzendbureau binnen liepen, Dadias d' Arbrisseau en ik. Voor werk, voor geld.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten