maandag 18 november 2019

Piëta met hond (8) / De de Wolfs




PIËTA MET HOND


7


De de Wolfs




Brams vader, de oude Wolf, zat roerloos op de bank. Z'n hoofd hing scheef, z'n tongpaarsblauw als de tong van een chowchowhing uit z'n schuimende mond, z'n ogen stonden wijd open. Het leek of hij aan het doodgaan was. Ik had het gevoel dat we hem moesten gaan verstoppen, maar dat sloeg eigenlijk nergens op.
  Brams moeder schonk een glas vol rosé. Ze dronk het leeg terwijl we van een afstand naar de oude Wolf zaten te kijken.
  'Wat is er met hem aan de hand?' vroeg ze.
  Hoe moest ik dat weten?
  'Hij zit daar al een hele tijd zo. Wat moeten we doen?'
  Toen kwam er beweging in de oude Wolf.
  'Grapje!' riep hij.
  Zo'n practical joker was hij. 
  'Wat ben je toch een zakkenwasser,' zei Brams moeder.
 
Ik weet niet of je wel eens iemand gekend hebt die de hele dag alleen maar op een stoel zit, en rookt en drinkt en praatjes heeft en ruzie maakt? Nou, zo iemand was Brams moeder. Precies zo en niet anders. Ze ging zo vroeg mogelijk naar bed en stond zo laat mogelijk op, om maar zo weinig mogelijk van de dag te hoeven meemaken. Ze stond op met de beste bedoelingen, maar na een half uur was alles alweer verpest, vond ze. Dan ontkurkte ze de eerste fles rosé.
  Ze droeg een pruik. Soms deed ze de pruik af en hing ze 'm aan de kapstok alsof het een hoed was. Dan zag je haar kale hoofd. Soms zat de pruik scheef of verkeerd om. Dan deed ik hem recht, zoals nu.
  'Mevrouw de Wolf, uw pruik zit scheef. Zal ik hem rechtzetten?'
  Ze boog haar hoofd naar me en ik draaide de pruik een kwartslag in het rond, zodat alle krullen weer op de juiste plek zaten.
  'Zo, nu bent u weer mooi en aantrekkelijk,' zei ik.
  Ze dacht vaak aan seks, zei ze. Ze was dol op seks. Ze lustte er wel pap van, zoals de volksmond het zo sappig en grappig uitdrukt. Soms deed ze netkousen en jarretels aan en verfde ze haar lippen rood. Het rood zat dan om haar lippen heen, zoals bij een clown. Zo liep ze dan door het huis, op hoge hakken en in een wolk van parfum uit een antieke parfumverstuiver die nog van haar verre voorouders was geweest. Ze was dan op de versiertoer. Ach, maar er was niemand om te versieren. Dan probeerde ze soms mij maar te versieren.
  'Bram!' riep ze.
  Ze riep het keihard, alsof Bram ver weg was, maar hij stond gewoon naast haar.
  'O, ben je daar, jij niksnut? Waar kom je zo snel vandaan? Waar heb ik het toch aan verdiend om zo'n zoon te hebben? Nou vooruit, schiet op, ga wat te eten voor ons maken in de keuken. En pas op dat je geen elektrische schok krijgt.'
  Volgens Brams moeder kreeg je van bijna alles een elektrische schok.
  Bram ging naar de keuken en kwam terug met belegde boterhammen. De één wordt op handen gedragen vanaf z'n geboorte tot z'n dood, z'n hele leven wordt hij in de watten gelegd. De ander wordt de huid vol gescholden zodra hij z'n snuit maar ergens om de deur steekt. 
  Ken je het verschijnsel dat je jezelf plotseling in een spiegel ziet terwijl je op die plaats en tijd geen spiegel had verwacht? Als je geluk hebt denk je in die nanoseconde:
  'Hé, wat is dat voor een aantrekkelijk iemand?'
  Als je pech hebt denk je:
  'Wat is dat voor een misbaksel?'
  Op een dag zag mevrouw de Wolf haar enige zoon op ongeveer zo'n manier en ik zal maar niet zeggen wat ze dacht.
  Bram was overal te laat mee. Hij begon te laat met lopen. Z'n vader en moeder dachten dat hij kreupel was. Hij begon te laat met praten. Ze dachten dat hij een idioot was. Hij begon te laat met lezen en schrijven en ze wisten gewoon niet meer wat ze denken moesten. Hij kwam elke dag te laat op school, waardoor hij elke ochtend voor straf een half uur eerder op school moest komen. Hij was de slechtste leerling van de klas, van de school, van de stad. Maar hij was slim, dat kon ik merken. 's Nachts spoot hij z'n naam op muren en op trams met z'n verfspuitbussen. Hij was een bomber (een veelschrijver). Overal waar je keek zag je zijn zijn tag:

Wolf 183

  Ik wist niet wat dat "183" te betekenen had. 
  Hij bezat een mes waarmee hij zich verdedigde of waarmee hij aanviel. Hij was een vechtersbaas. De wereld van de graffitischrijvers was een harde wereld. 
  Toen moest ik er vandoor. De deurwaarder en de anderen zaten te wachten. Ik hoorde hun voetstappen boven me.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten