Posts tonen met het label Israël versus Aalst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Israël versus Aalst. Alle posts tonen

maandag 2 maart 2020

Doen wij soms iets verkeerd?

Venetiaans carnavalsmasker (Alles was tief ist, liebt 
die Maske
– Nietzsche)
Hebben
de groteske¹ islamitische en joodse reacties op de spotprenten van Kurt Westergaard en het carnaval van Aalst misschien een andere oorzaak dan onze vrolijke, vrijgeestige, carnavaleske, irritante Europese spotlust?
De American Jewish Committee en het CIDI hebben voorschriften voor het spotten.
"Goedendag, spreek ik met de afdeling spot van de American Jewish Committee?"
"Daar spreekt u mee."
"Ah, goedendag, ik wou graag Harvey Weinstein bespotten."
"Dat kan. Heeft u hemof onsal eens eerder bespot?"
"Eh, nee, nog nooit. Dit is m'n eerste keer."
"Waar zat u aan te denken?"
"Nou, ik wou hem lelijke dikzak noemen." 
"Dat kan, maar het is wel een beetje pijnlijk voor de heer Weinstein om bespot te worden om zijn uiterlijk. Zo zijn de nazi's ook begonnen. Wij suggereren dat u hem onaardige meneer noemt."
Spot die niet een beetje pijn doet is geen spot, dat is een vorm van aaien. Moeten islam en jodendom zich niet eens voorzichtig de vraag stellen, nu in Europa cartoonisten en carnavalvierders naar het leven worden gestaan: doen wij soms iets verkeerd? Dat is een moeilijke vraag om te stellen en om te beantwoorden. Voor iedereen, en zeker voor monotheïstische religies met een ene en enige god.
Ook het christendom is monotheïstisch en oorspronkelijk niet Europees. Het monotheïsme komt uit heet en droog gebied en heeft Europa, toen het in Griekenland aan land kwam, in een duizend jaar durende depressie gestort (door de Engelsen heel toepasselijk The Dark Ages genoemd).
Europa is sappig en groen en koeleen oase, in woestijntermen. Dat is geen vruchtbare omgeving voor verhitte goddelijke visioenen. In de oase drink je water.
Europa is poly-, pan- of zerotheïstisch (antiek, heidens). Het huwelijk tussen Europa en het monotheïsme is nooit erg gelukkig geweest. Er is altijd veel huiselijk geweld aan te pas gekomen. De vooruitgang is in verzet tegen het monotheïsme ontstaan en voltrokken.
De wetenschappelijke revolutie (Galileo, Harvey, Columbus), de artistieke en "genealogische" revolutie (Renaissance) en de waardenrevolutie (Verlichting)
zijn antiek, heidens, poly, pan, non.
Je moet wel dumm wie Thierry zijn om de Europese beschaving "joods-christelijk" te noemen.² 
Onder de zware monoliet van het christendom komen de laatste decennia, schuchter en knipperend tegen het zonlicht na millennia van donkerte en verplettering, de oude Europese goden en liefdes weer tevoorschijn gekropen: de natuur, het lichaam, de vrouw, het water, de lucht, het bos, de dieren, de metamorfose, de vrolijkheid, de lichtvoetigheid, de onbezorgdheid, de dans, de sport. De Europese Unie spendeert de komende jaren maar liefst duizend miljard euro aan de wederopbloei van deze oude goden en liefdes. Een Perikleïsch plan!
Het Europese christendom heeft niet meer de kracht tot onverzoenlijkheid, tot inquisitie. Het is simpelweg verkwijnd in het gematigde Europese klimaat (voor religieus fanatisme is hier te veel water en te weinig dorst). Laat Europa zich toch niet onderwerpen aan nieuwe onverzoenlijken. Gisteren zei een jongen op tv: "Al duizenden jaren vereren we een onzichtbare god. Maar mijn god is de natuur, de aarde. Daar kom ik uit voort en daar ga ik naar terug."
Een paar eeuwen geleden had hij die uitspraak niet overleefd. Het zichtbare, ruikbare, hoorbare, proefbare en tastbare vereren was ketterij.
Later meer, ook over die onaardige meneer! 

¹ Typering door de burgemeester van Aalst.
² Dumm wie Thierry is een Duitse zegswijze, mogelijk verwijzend naar Thierry Baudet.

donderdag 27 februari 2020

De omgekeerde wereld duurt nog een paar dagen voort

Venetiaans carnavalsmasker (Alles was tief ist, liebt 
die Maske
– Nietzsche)
"Wij hebben het gehad met die groteske beschuldigingen."
In de carnavalsoptocht van Aalst hobbelden joodse karikaturen mee.
De Israëlische regering en de American Jewish Committee beschuldigden de optocht van nazisme en antisemitisme.
Deze beschuldigingen noemde de burgemeester van Aalst grotesk.
Toegegeven, de Aalster karikaturen zijn ook niet naar mijn smaak. Maar dit zijn de Zwietjollekes, de Vismooil’ns.
Dit is carnaval.
Het Westen is niet antisemitisch. Het oude volk is vrijwel overal in het Westen welvarend en invloedrijk.
Misschien ga ik een brief schrijven aan mevrouw Azulai.
Zij is de directeur-generaal van Unesco.
Zij is joods.
Een beschaving die de bescherming van haar erfgoed toevertrouwt aan mevrouw Azulai kun je moeilijk antisemitisch noemen.
Later meer, want het carnaval is nog niet voorbij. De omgekeerde wereld duurt nog een paar dagen voort.
Nu moet ik eerst boodschappen doen.
We eten vanavond: soep.

dinsdag 25 februari 2020

Ach, ach, wat een verstandig menneke

Jonge gans
Omdat ik in de vorige twee stukjes over het Aalster carnaval zo hoog van de toren heb geblazen over de schrijver en arts François Rabelais, die leefde van 1483 tot 1553, trakteer ik jullie nu op een van mijn geliefde hoofdstukken uit Rabelais' boek Gargantua en Pantagruel, namelijk het toepasselijke, want extra carnavaleske en extra wetenschappelijke hoofdstuk 13, getiteld:
Hoe Grandgousier de verbazende intelligentie van Gargantua ontdekte door de uitvinding van de billenveger.
Ik heb het helemaal overgetypt uit de vertaling door J.M Vermeer-Pardoen (uitgeverij van Gennep, 1995), dus ga het maar gauw lezen, anders is al dat werk voor niks geweest. Het is de moeite waard, dat beloof ik. Rabelais is niemand minder dan de Mozart van de literatuur!


13

Hoe Grandgousier de verbazende intelligentie 
van Gargantua ontdekte door de uitvinding 
van de billenveger


Tegen het einde van zijn vijfde jaar kwam zijn vader Grandgousier thuis van een oorlog waarin hij de Kanariërs had verslagen, en hij ging meteen kijken hoe het met zijn zoon Gargantua ging. Hij was heel blij, zoals je dat kunt verwachten van een dergelijke vader wanneer die ziet dat hij zo'n zoon heeft, en terwijl hij hem zoende en in zijn armen nam, stelde hij hem allerlei vraagjes over van die kleine dingetjes. En hij dronk er een lekker glas op met hem en de kindermeisjes, aan wie hij onder andere heel bezorgd vroeg of ze hem wel netjes schoon hadden gehouden. Hierop antwoordde Gargantua dat hij ervoor had gezorgd dat er in het hele land geen properder jongetje was dan hij.
    "Hoe dat zo?" vroeg Grandgousier.
    "Ik heb," antwoordde Gargantua, "door middel van een langdurige, zorgvuldige proefneming een manier gevonden om mijn gat af te vegen, die zo vorstelijk, zo uitstekend en zo afdoend is, dat men iets dergelijke nog nooit eerder gezien heeft."
    "Hoe dan?" vroeg Grandgousier.
    "Dat ga ik u nu vertellen," zei Gargantua.
    "Ik heb eerst mijn gat afgeveegd met een fluwelen maskertje van een dametje, en dat vond ik lekker, want de zachte zijden stof gaf een heel plezierig gevoel daar van onderen;
    een volgende keer deed ik het met een kaproen, ook voor de dames, en het resultaat was hetzelfde;
    een andere keer weer met een halsdoek;
    later nog eens met de afhangende stukken van een kaproen van karmozijn satijn, maar dat stinkverguldsel dat erop zat schuurde het hele vel van m'n achterwerk; het sint-antoniusvuur mag de aars doen branden van de goudsmid die de kaproen heeft gemaakt, en ook de reet van de vrouw die hem heeft gedragen!
    Die pijn ging over toen ik m'n billen veegde met de muts van een page, waar een mooie pluim op stak, echt op z'n Zwitsers.
    Toen ik een keer achter een bosje zat te schijten, vond ik een maartse kat; daar veegde ik m'n gat mee af, maar door z'n nagels raakte m'n hele bilnaad ontstoken.
    Daarvan genas ik de volgende dag door m'n billen af te vegen met de handschoenen van mijn moeder, die heerlijk roken naar kaasjeskruid.
    Daarna veegde ik m'n gat af met salie, venkel, dille, marjolein, rozen, de bladeren van een pompoen, van een kool, van bieten, van een wijnrank, met heemst en wolkruid (ook wel billenrood genaamd), met slabladen en met spinazie ˗ dat was allemaal Naadje Klapdeksel ˗, met bingelkruid, vlooienkruid, brandnetels en smeerwortel; maar daar kreeg ik de Lombardijse bloedpoep van, waar ik weer van genas door m'n gat af te vegen met m'n gulp.¹
    Verder heb ik m'n gat afgeveegd met beddenlakens, een deken, gordijnen, een kussen, een tapijt (een groen nog wel), een stofdoek, een servet, een zakdoek en een kapmanteltje. En van dat alles genoot ik meer dan een schurftlijder wanneer hij met de roskam wordt bewerkt.
    "Da's mooi," zei Grandgousier, "maar welke billenveger vond je nou de beste?"
    "Dat wilde ik net gaan zeggen," zei Gargantua, "en u krijgt er zo dadelijk het tu autem² van te horen. Ik heb m'n gat geveegd met hooi, stro, hennep, poetskatoen, wol en papier. Maar 
    Al wie zijn gat veegt met papier
    Vindt aan zijn ballen 't souvenir."
    "Wat nu!" zei Grandgousier. "Pikkie-van-me, heb je soms een gaatje in je hoofd, dat je nu al aan het dichten slaat?"
    "Ja, wis en waarachtig, sire,"antwoordde Gargantua, "ik dicht dat het een lieve lust is. En soms ben ik zo aan het dichten, dat m'n hele kop dicht zit. Luister maar eens naar wat onze plee zegt tegen de schijters:
     Ge schijt
     En zijt
     Verblijd.
     Een kreet:
     'Jolijt
     Ten spijt,
     Ik lijd:
     Die scheet
     Was heet 
     En sneed
     M'n reet.'
     Krijg nou het sint-antonievuur!
     Hij gleed
     Discreet
     In 't secreet
     En ge veegt uw gat wel een uur.
"Wilt u nog meer horen?"
"Ja vanzelf," antwoordde Grandgousier.
"Daar komt-ie dan," zei Gargantua:
    "RONDEEL
    Toen ik laatst weer eens te kakken zat,
    Rook ik het geurtje van de stront,
    Dat ik beslist niet lekker vond:
    Ik ging van mislijkheid haast plat,
    Ach, had ik maar iemand gehad,
    Die mij de lang verwachte zond,
    Bij 't kakken!
    Dan had ik haar plasgat gevat
    En dat, op mijn manier, terstond 
    Behandeld, terwijl zij mijn kont
    waste van wat daar nog aan zat
    Van 't kakken.
Zeg nou zelf maar eens dat ik van niks weet! Maar gedderrie! Ik heb die versjes niet zelf gemaakt, maar toen ik ze hoorde opzeggen door die grote mevrouw die u hier ziet, heb ik ze in het ranseltje van mijn geheugen geborgen."
    "Laten we nu maar weer naar ons onderwerp terugkeren," zei Grandgousier.
    "Welk onderwerp," vroeg Gargantua, "schijten?"
    "Nee," zei Grandgousier, "je gat afvegen."
    "Trakteert u op een vaatje Bretonse wijn, als ik u op dit punt even paf laat staan?"
    "Beloofd," zei Grandgousier.
    "Je hoeft je gat alleen maar af te vegen als er stront aan zit," zei Gargantua, "en er kan alleen maar stront aan zitten als je gescheten hebt: je moet dus eerst schijten, voordat je je gat afveegt."
    "Ach, ach, wat ben jij toch een verstandig menneke," zei Grandgousier. "Een dezer dagen zal ik je laten promoveren tot doctor in de vrolijke wetenschap, want je bent verdomd verstandig voor je leeftijd. Nou, alsjeblieft, ga verder met dat billenveegverhaal. Bij mijn baard, in plaats van een vaatje krijg je zestig pijpen, en dan bedoel ik wel van die prima Bretonse wijn, die helemaal niet uit Bretagne komt, maar uit de goede streek van Verron."
    "Daarna," zei Gargantua, "veegde ik m'n gat af met een hoofddeksel, een beddenkussen met iene pantoefel, met iene weitas, met een mandje - maar dat was een heel onplezierige billenveger! - en dan nog met een hoed. En dan moet u wel bedenken dat de ene hoed kaal is, de ander harig, een derde zacht als fluweel, een volgende glanzend als zijde, en weer een andere zacht als satijn. De beste van allemaal is die harige, want daarmee kun je de poepresten het best verwijderen.
    Vervolgens veegde ik m'n gat met een kip, een haan, een hennetje, een kalfsvel, een haas, een duif, een aalscholver, een pleitzakje, een bivakmuts, een karbiesje en een leren lokvogel.
    Maar concluderend zeg ik en houd staande, dat er geen betere billenveger is dan een lekkere, donzige, jonge gans, als je tenminste z'n kop tussen je benen houdt. Erewoord! Want aan je aars ervaar je een wonderzoet gevoel, zowel vanwege het zachte dons als door de aangename warmte van de jonge gans, die gemakkelijk doordringt in de endeldarm en de andere ingewanden en vandaar zelfs de hartstreek bereikt en de hersenen. En denkt u maar niet dat de gelukzaligheid der heroën en der halfgoden, die zich in de Elyzeese velden bevinden, haar oorsprong vindt in hun asfodillen of in hun ambrozijn of nectar, zoals die ouwe wijven hier beweren. Ik ben ervan overtuigd, dat die gelukzaligheid het gevolg is van het feit dat ze hun gat afvegen met een jonge gans, en dat is ook de mening van meester Jan van Schotland."³


¹ Bedoeld wordt waarschijnlijk een broekklep (Eng: codpiece); de gulp die wij kennen bestond nog niet in de tijd van Rabelais (en je kunt er ook je billen niet mee schoonvegen).

² Uitdrukking die gebruikt werd door geestelijken, om aan te geven dat het laatste woord ergens over gezegd was. De uitdrukking is afkomstig uit de liturgie. Na elke lezing van het Evangelie zong men namelijk: Tu autem, Domine, miserere nobis. Gij echter, Heer, erbarm U over ons.
³ Johannes Duns Scotus, een beroemde scholastieke geleerde uit de dertiende eeuw. Rabelais spot vaak met zijn moeilijk te begrijpen ideeën.

maandag 24 februari 2020

Een Aalstenaar lacht met alles

Venetiaans carnavalsmasker (Alles was tief ist, liebt 
die Maske
– Nietzsche)

In het jaar 2006 maakte Kurt Westergaard
de Deense cartoonist een spotprent van de profeet Mohammed.
Hij ontving veel doodsbedreigingen.
Hij moest verder leven op schuiladressen.
In 2010 drong een moslim zijn schuilplaats binnen met een mes om hem te vermoorden.
Hij overleefde het.
Hij stopte met tekenen.
Veel collega's van hem stopten ook met tekenen.
De praalwagens met de joodse karikaturen hobbelden gisteren vrolijk mee in de carnavalstoet ondanks dreigementen.
Dit is hoopvol en in de geest van Europa's vrolijkste wetenschapper en circusdirecteur van de omgekeerde wereld François Rabelais.
Het is niet in de geest van Rabelais dat er in Europa mensen zijn die niet bespot mogen worden op straffe van moord (mes, bijl) of karaktermoord (nazi, antisemiet). Over de moord en karaktermoord op Theo van Gogh later meer in m'n carnavaleske hoofdwerk Het Niets, het Ene, het Vele en Alles.¹
Het is jammer dat de internationale organisatie Unesco heeft besloten het carnaval van Aalst van de lijst van immaterieel erfgoed te schrappen.
Daarmee haalt Unesco spot en zelfspot van de lijst, wat niet bevorderlijk is voor het goede humeur op de planeet.
Misschien ga ik een brief schrijven aan
mevrouw Azulai de directeur-generaal van Unesco met het verzoek om spot en zelfspot weer terug te plaatsen op de lijst van onstoffelijke planetaire kostbaarheden.
De burgemeester van Aalst, een waardig erfgenaam van Rabelais, zei: "Wij hebben het gehad met die groteske beschuldigingen."
De eigenaar van de plaatselijke carnavalswinkel zei: "Een Aalstenaar lacht met alles."
Het carnaval als schatbewaarder van de Europese vrijhedenwie had dat gedacht? Nou, François Rabelais, distilleerder van kwintessens! 

 ¹ Uitgeverij Opera Non Scripta, d.d. in 't jaar één als de uilen preeken.

zaterdag 22 februari 2020

Als je bestaat loop je het risico bespot te worden

Venetiaans carnavalsmasker (Alles was tief is, liebt 
die Maske
Nietzsche)

De Israëlische minister van buitenlandse zaken Yisrael Katz zegt: "Het komende carnaval in de Belgische stad Aalst moet verboden worden omdat er op de praalwagens van de optocht joodse karikaturen meerijden."
De burgemeester van Aalst Christophe D'Haese zegt: "Minister Katz lijkt niet te begrijpen wat een vrije samenleving is. Het is niet aan een buitenlandse minister om te bepalen wat in Aalst wel en niet mag. Dat zal ik zelf wel bepalen."
Ik zeg: als je bestaat, loop je het risico bespot te worden, met name in tijden van carnaval. Spot en zelfspot zijn de kwintessens van carnaval. Het Midden-Oosten kan wel wat carnaval gebruiken.
Je kunt het carnaval ook meemaken zonder te zuupen en te dausen, namelijk door de boeken van Gargantua en Pantagruel te lezen, in vroeger dagen opgetekend door meester Alcofribas, distilleerder van kwintessens, oftewel François Rabelais.¹
De optocht in Aalst is morgen, zondag 23 februari. Zullen de karikaturen erin meerijden? Of niet? Wordt vervolgd.

¹ Over het belang en de betekenis van carnavaleske spot en zelfspot is helder geschreven door de Russische filosoof Michail Bakhtin in het boek Rabelais and his world (1968).