Posts tonen met het label De ziel kan nimmer in droge oorden verblijven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De ziel kan nimmer in droge oorden verblijven. Alle posts tonen

donderdag 20 augustus 2020

De ziel kan nimmer in droge oorden verblijven (11) / Hoe groter geest, hoe groter beest*

Navelringetje van de barkeepster
De nieuwe barkeeper is een jonge vrouw die lekker ruikt. Ze heeft een kort truitje aan, waardoor we haar navel kunnen zien. Door de navel zit een gouden ringetje als door de neus van een stier. Het is sexy om te zien. Het maakt dat je meteen aan de rest van haar begint te denken.
Ze glimlacht naar ons en haar glimlach fladdert door het café. Ach!
Maar K. zegt: "Kleine geesten houden misschien van lekkere geurtjes, maar grote geesten houden van stank. Wat is het toch heerlijk voor de grote geest om de neus in de stank te steken. Daar wordt de grote geest opgewonden van."
"Jij bent helemaal geen grote geest," zegt B., "jij bent alleen maar iemand die de boeken van de grote geesten gelezen heeft. En daarom hoor jij niet van stank te houden, maar van lekker geurtjes, net zoals wij en net zoals alle andere gewone stervelingen die geen grote stankgeesten zijn."
Wanneer K. beledigd wordt, verandert hij meteen in een zielig dier, een kale papegaai in een kooi of een verwaarloosde oude ezel. Dan gaat hij alles nog erger maken en op het laatst heeft iedereen medelijden met hem.
"Je hebt gelijk," zegt hij, "mijn leven is een mislukking. Mijn mooie jeugddromen zijn niet uitgekomen en alles is vastgelopen in de modder. Ik heb geen grote bezittingen. Alles lijkt wel met groene zeep ingesmeerd. Alles glipt uit mijn handen zodra ik het vastpak. Kijk ik naar de mensen in de winkelstraten, dan zie ik dat de dingen in de etalages roepen: 'Pak mij, neem mij, neem mij mee!' Maar tegen mij roept alles: 'Ga weg, loop door, blijf van me af!'"

Er valt een stilte in het café.
Het is ook niet gemakkelijk om stijlvol te zijn als je net beledigd bent. Het is veel gemakkelijker om stijlvol te zijn als je net een complimentje hebt gehad (je moet stijlvolheid niet verwarren met bescheidenheid).
Wij beginnen allemaal naar een ander onderwerp te zoeken, en daarom blijft het even stil in het café.
En midden in de stilte zit K. 

Zoiets heet nou een pijnlijke stilte.
"Barkeepster, nog een drankje voor iedereen en voor K. twee drankjes!" roept eindelijk iemand. 
En het geroezemoes komt weer op gang. 

* Een tijdje geleden vond ik een stapel krantencolumns terug die ik eenentwintig jaar geleden, in het jaar 1999, schreef. Ze gingen over een café waar ik toen wel eens kwam en over enkele mensen die daar ook wel eens kwamen. Ik was de columns vergeten. Omdat ze zoete en bittere herinneringen bij me oproepen, wil ik ze graag opnieuw publiceren hier op Eeuwige Bouillon. Dit is de elfde column (de laatste column). Als m'n nieuwe pc er is - de oude is ontploft - ga ik weer verder met de achtdelige serie Zeven dagen in Normandië.

maandag 17 augustus 2020

De ziel kan nimmer in droge oorden verblijven (10) / Het heelal neemt veel ruimte in beslag*

De melkweg
"Ik begrijp jou niet," zegt G. tegen M. "God heeft jou met de allerfijnste gouden strikjes vastgemaakt aan jouw wonderschone A. Waarom moet jij zo nodig genot zoeken bij die blondine? Waarom?"

En M. zegt: "Waar bemoei jij je mee? En wat praat jij toch abnormaal. O, wat heb ik toch een hekel aan jou. Jij vindt altijd wel een opening om bij de mensen naar binnen te glibberen."
"Jawel," zegt G., "maar hoe kon jij de blondine verkiezen boven jouw mooie A.? Hoe kon jij dat doen?"
"Allemachtig!" zegt M.
Gisteren is zijn vrouw bij hem weggegaan vanwege de blondine. Toen hij om zes uur 's avonds thuis kwam en in de pan op het fornuis keek zat er geen rijst of pasta in maar een baksteen. Het water kookte. En op een briefje stond geschreven: "Als deze baksteen gaar is, kom ik terug." Wanneer een vrouw zoiets doet, dan is alle kennis van het heelal niet voldoende om haar terug te halen.  
En toevallig heeft M. veel kennis van het heelal want hij is een astronoom. Zijn vader, zijn grootvader en zijn overgrootvader waren ook astronomen.
Het heelal zit in de familie.
"Het heelal neemt veel ruimte in beslag," zegt G. "Als jij voor één keer het heelal uit jouw astronomenhoofd zou verwijderen, dan kwam er misschien wat ruimte voor God."
"Weet je wat, jij onderkruipsel?" zegt M. "Ik ga jou met de harde knokkels van mijn twee vuisten een paar rake klappen verkopen. Barkeeper, hou mij tegen!"
"De godsdienst besnuffelt de mensen van achteren en van onderen, dat is haar zelfopgelegde taak," becommentarieert K. van een afstandje. "De godsdienst snuffelt aan de ballen en de billen van de mensen, zoals honden doen."

* Een tijdje geleden vond ik een stapel krantencolumns terug die ik eenentwintig jaar geleden, in het jaar 1999, schreef. Ze gingen over een café waar ik toen wel eens kwam en over enkele mensen die daar ook wel eens kwamen. Ik was de columns vergeten. Omdat ze zoete en bittere herinneringen bij me oproepen, wil ik ze graag opnieuw publiceren hier op Eeuwige Bouillon. Dit is de tiende column. Als m'n nieuwe pc er is - de oude is ontploft - ga ik weer verder met de achtdelige serie Zeven dagen in Normandië.

zaterdag 15 augustus 2020

De ziel kan nimmer in droge oorden verblijven (9) / De glimlach is de overtreffende trap van de schaterlach*

"Als je te verlegen bent om iets te zeggen, zegt K. tegen G., "dan is het niet handig om verliefd te worden, want het zijn de woorden waardoor de vrouwen verleid worden. Niet de daden, niet het lichaam en ook niet jouw reebruine ogen maar de woorden. Maar dan moet je ze wel in de juiste volgorde zeggen. Eerst de mooie woorden en daarna de schunnige woorden. En wat je ook niet moet vergeten zijn de komische woorden, de woorden om te lachen. Want door het lachen komt er niet alleen in het hoofd en het hart van de vrouw een gevoel van vrijheid en openheid maar ook tussen de benen, als ik zo vrij mag zijn. Jawel, ook daar lacht de vrouw. Maar pas op, van alle woorden zijn de komische woorden het moeilijkst om te vinden. Als ze niet om je grapjes hoeft te lachen, heb je het eigenlijk meteen verknoeid. Maar als je haar aan het lachen maakt, dan heb je haar halve lichaam al veroverd, waarbij je moet beseffen dat de glimlach de overtreffende trap is van de schaterlach. Kortom, de mooie, de schunnige en de komische woorden zijn de machtige instrumenten die de begeerte tevoorschijn roepen. Denk je dat ze ook verliefd is op jou?"

"Ik denk het wel, zegt G., "en daarom moet jij mij helpen iets te zeggen dat de begeerte tevoorschijn tovert."
"Je moet niet bang zijn en je moet het niet meteen over haar schoonheid hebben," zegt K., "daar houden vrouwen niet van. Het maakt dat ze zich van porselein gaan voelen terwijl hun schoonheid diep van binnen voelt als de kaken van een vechthond. Want ze gebruiken hun schoonheid niet alleen om de mannen te lokken maar ook om ze van zich af te houden. En tenslotte nog dit, G., je moet te allen tijde hoffelijk zijn maar nooit keurig, netjes en beleefd. Het is namelijk altijd de mindere die zo doet tegen de meerdere, net zoals het kleinere dier op de rug gaat liggen om de kwetsbare buik te tonen aan het grotere dier. Daarom is het het beste om robuuste taal tegen de vrouw uit te slaan, zodat de woorden niet uit je mond komen als verlegen kinderen die het podium op geduwd worden. Want de vrouw is een hartstochtelijker wezen dan de man en de hartstocht laait niet in haar op wanneer je uit jouw verlegen innerlijk verlegen taal laat opborrelen. Mogen jouw woorden tegelijk vrolijke, robuuste en gouden woorden zijn. Want ook al heeft het christendom ons wijsgemaakt dat er alleen rijkdom en wijsheid te vinden is in het lijden en de zielepoot, en niet in de vrolijkheid en de held, waardoor wij denken dat de wanhoop de bron is van onze inzichten, toch bestaat er ook wel degelijk... Nou ja, succes ermee! Proost!"

* Een tijdje geleden vond ik een stapel krantencolumns terug die ik eenentwintig jaar geleden, in het jaar 1999, schreef. Ze gingen over een café waar ik toen wel eens kwam en over enkele mensen die daar ook wel eens kwamen. Ik was de columns vergeten. Omdat ze zoete en bittere herinneringen bij me oproepen, wil ik ze graag opnieuw publiceren hier op Eeuwige Bouillon. Dit is de negende column. Als m'n nieuwe pc er is - de oude is ontploft - ga ik weer verder met de achtdelige serie Zeven dagen in Normandië.

donderdag 13 augustus 2020

De ziel kan nimmer in droge oorden verblijven (8) / De bezwete huid van een rennend paard*

"De meeste vrouwen zijn trouw aan een man," zegt A., "maar ik ben trouw aan de liefde. Vandaag woont de liefde in de ene man en morgen weer in een andere en daarom heb ik meerdere mannen. Ik wil dat de ogen van een man glinsteren van betovering door de liefde, anders vind ik een man niet aantrekkelijk. Ik wil dat een man op zijn achterpoten staat als een paard, dat zijn huid glanst als de bezwete huid van een rennend paard en dat al zijn spieren te zien zijn door de glanzende huid heen. De liefde maakt van een man een mythologisch wezen met een glinsterende blik in de ogen en kleine oortjes die strak in de nek liggen. Maar de gewoonte en de trouw maken van hem een ezel met grote rechtopstaande oren. Straks gaat hij nog in de spiegel kijken of hij wel mooi genoeg is, die ezel. Maar wat kan mij het schelen hoe hij eruit ziet? Niks. En wat kan mij het schelen of hij een goed mens is of een slecht mens, of rijk of arm? Al die dingen laten me onverschillig. Als de grote vlam maar in hem brandt. En daarom hou ik zo van J., omdat de grote vlam in hem loeit als in een te hoog opgestookte kachel.
En omdat hij het tegenovergestelde is van een ezel.
En omdat hij niet bang is voor de dood.
En omdat hij geen mopjes kan onthouden.
En ik hou ook van zijn kunstbeen waarop hij zo moedig voortstapt alsof er niks aan de hand is en waarin een luikje zit waarachter hij drank, sigaretten, lucifers en een asbakje bewaart."

"Dus dat is waar?," vraagt K.
"Dat is waar," zegt A.
"Maar waarom ben je dan bij hem weggegaan?" vraagt M.
"Ik weet het niet," zegt A, "ik was ongelukkig bij hem."
"Hoe kun je nou ongelukkig zijn bij een man van wie je zoveel houdt?"
"Dat kan, van te veel liefde kun je ongelukkig worden, net zoals je van veel drop misselijk kunt worden. Er is een optimum aan alles, ook aan de liefde."

* Een tijdje geleden vond ik een stapel krantencolumns terug die ik eenentwintig jaar geleden, in het jaar 1999, schreef. Ze gingen over een café waar ik toen wel eens kwam en over enkele mensen die daar ook wel eens kwamen. Ik was de columns vergeten. Omdat ze zoete en bittere herinneringen bij me oproepen, wil ik ze graag opnieuw publiceren hier op Eeuwige Bouillon. Dit is de achtste column. Als m'n nieuwe pc er is - de oude is ontploft - ga ik weer verder met de achtdelige serie Zeven dagen in Normandië.

woensdag 12 augustus 2020

De ziel kan nimmer in droge oorden verblijven (7) / Op de vleugels van de grote liefde*

Op de ene hoek van de bar zitten twee vrouwen met elkaar te praten, te smoezen kun je wel zeggen, en op de andere hoek zitten K. en ik. De twee vrouwen praten op zo'n manier met elkaar dat wij er niks van kunnen verstaan, geen woord. Ook lachen ze af en toe, waarbij ze onze kant op kijken.

"Wanneer twee vrouwen met elkaar praten over mannen," zegt K., "dan zitten ze er bijna altijd bij te lachen. Weliswaar komt er geen bulderlach uit hun kelen, maar toch: er is een geamuseerdheid. Al zijn ze nog zo kwaad of teleurgestelden dat zijn toch waarachtig geen lachopwekkende gevoelens, toch verschijnt vanzelf dat lachje om hun lippen, dat de uitdrukking van een geamuseerdheid is. En hoe diep ik m'n peillood ook in dat vrouwenlachje laat zakken, ik raak nooit de bodem, het is niet te peilen. Schijnbaar is er iets met de man aan de hand, dat de vrouw aan het lachen maakt. Wat is het, dat de vrouw zoveel amusement bezorgt? Wat is er toch zo lachwekkend aan ons in de ogen van de vrouw?"
Ik weet het ook niet. Het is niet gemakkelijk voor een man om over zijn eigen lachwekkendheid na te denken. Hij moet dan als het ware uit zichzelf naar buiten treden om zichzelf eens van een afstandje te bekijken. Hij moet zichzelf als een grapje gaan beschouwen. En dat is nogal een tegendraadse manoeuvre, net alsof hij midden in het vuurgevecht uit de loopgraaf klimt om even een luchtje te scheppen en de benen te strekken.
"Terwijl wij juist helemaal niet zitten te lachen wanneer wij over vrouwen praten," gaat K. voort. "Wij zijn vol bewondering of vol afschuw, vol woede of begeerte, liefde of ernst, maar wij zijn nooit geamuseerd. En nu vraag ik me af: hoe kan dat? En ook vraag ik me af: wie is er nou een hoger wezen, de man of de vrouw? Want er zijn hogere en lagere wezens, zegt de filosoof Michel Eyquem de Montaigne, en wel op zo'n manier dat een laagstaand mens dichter bij de dieren staat dan bij een hoogstaand mens. Mij dunkt dat de geamuseerdheid van een hogere orde is dan de niet-geamuseerdheid en dat dus de vrouw een hoger wezen is dan de man. En weet je wat ook een verschil is?" 
"Nou?"
"Dat  mannen altijd luidkeels over vrouwen praten, zodat iedereen in de wijde omgeving het kan horen, terwijl vrouwen juist altijd zachtjes praten. En het is een bekend feit dat zachtjes praten van een hogere orde is dan luidkeels praten. Daarom stel ik voor dat de wereld de komende duizend jaar door vrouwen geregeerd wordt, want vrouwen zijn de steunpilaren van de wereld terwijl wij mannen erom met Gabriel García Márquez te sprekendoor onze historische bruutheid een zootje van maken."
En nadat hij nog een laatste glaasje mezcal heeft laten aanrukken, concludeert hij: "Tussen mannen en vrouwen gaapt zo'n wijde kloof, dat ze alleen maar op de vleugels van de grote liefde naar elkaar toe kunnen vliegen. Gewoon over de grond is er geen weg, geen pad."

* Een tijdje geleden vond ik een stapel krantencolumns terug die ik eenentwintig jaar geleden, in het jaar 1999, schreef. Ze gingen over een café waar ik toen wel eens kwam en over enkele mensen die daar ook wel eens kwamen. Ik was de columns vergeten. Omdat ze zoete en bittere herinneringen bij me oproepen, wil ik ze graag opnieuw publiceren hier op Eeuwige Bouillon. Dit is de zevende column. Als m'n nieuwe pc er is - de oude is ontploft - ga ik weer verder met de achtdelige serie Zeven dagen  in Normandië.

maandag 10 augustus 2020

De ziel kan nimmer in droge oorden verblijven (6) / Fruit op de schaal*

Fruit (vruchten) (Henk Helmantel)
"Elk mens denkt wel eens dingen die hij niet mag denken. Die een schande zouden zijn als hij ze hardop uitsprak. Je mag, wanneer je in gezelschap bent, gerust verklaren dat je soms zulke dingen denkt, en het gezelschap zal dan verklaren: 'Wij ook, wij denken ook wel eens zulke dingen. Niets menselijks is ons vreemd.' 
Maar je moet nooit zeggen wát het precies is wat je denkt. Je kunt beter niet openhartig zijn over de details, ook al ben je nog zo dronken. De mensen zullen het namelijk onthouden met hun goede geheugen en ze zullen jou de details op een dag voor de voeten werpen. Misschien zijn hun eigen details vele malen erger dan de jouwe, maar jij hebt het gezegd. Dat is een fout. Je moet dus nooit in details treden. Want niet alleen god zit in de details, ook de duivel zit erin. Openhartigheid over de details is de dood van elke beschaving, onthoud dat. Wanneer een beschaving begint te denken dat er geen communicatie meer mogelijk is zonder openhartigheid, dan is die beschaving op sterven na dood, dan komen er geen blaadjes meer aan de bomen en geen bloemen meer uit de knoppen. Want veel dingen worden ons vergeven maar sommige dingen worden ons niet vergeven, dat wil zeggen: ze worden onthoudenwaaruit maar weer eens blijkt dat het geheugen moreel van aard is. Of het zuiver moreel van aard is zou ik niet durven zeggen. Maar het is onmiskenbaar dat de wraakzuchtigen een beter geheugen hebben dan de vergevingsgezinden. Dat heeft de ervaring me geleerd, zogezegd."
En met die strenge woorden maakt K. een einde aan de stroom ontboezemingen van R., die ik hier liever niet navertel ook al branden me de woorden op de lippen. Maar zulke woorden in de krant schrijven is hetzelfde als ze zelf bedenken. Dan krijg ik straks nog de schuld. Dan treft mij hetzelfde lot als de boodschapper die het slechte nieuws bij de tsaar kwam brengen.
"Hak zijn hoofd eraf!" riep de tsaar.
Het zwaard van de lijfwacht sneed door de lucht en het hoofd van de boodschapper rolde over de grond.
De tsaar dacht dat door het afhakken van het hoofd ook het slechte nieuws uit de wereld was.
Wat een interessant onderwerp, nu ik er eens goed over nadenk. Maar ik moet het terzijde schuiven want een andere gebeurtenis vraagt onze aandacht.
Wanneer een vrouw binnenkomt op een plaats waar twee of meerdere mannen aanwezig zijn, en zij heeft zeer mooie borsten, dan houden die mannen op met waar ze ook maar mee bezig zijn en worden één en al oog. Ook al zijn hun gesprekken nog zo vurig, ook al heerst er nog zo veel vurige onenigheid tussen hen, wanneer zo'n vrouw binnenkomt verdwijnt al hun strijd als sneeuw voor de zon en er ontstaat een gelijkgestemdheid. En daardoor wordt het stil, want wanneer twee (of meer) mannen het met elkaar eens zijn, dan zeggen ze niks tegen elkaar, geen woord. Dan hoor je alleen maar hun ademhaling en in hun ogen is een blik als van een koe in een grazige weide. Vrouwen zetten het juist op een kletsen wanneer ze het met elkaar eens zijn en daarom zijn vrouwen geschikter om de wereld te regeren dan mannen. Anders uitgedrukt: bij vrouwen is het de eensgezindheid die vitaliserend werkt, bij mannen is het juist de onenigheid.
Behalve misschien de benen en de billen heeft geen enkel vrouwelijk lichaamsdeel zoveel macht over de mannelijke gemoedstoestand als de borsten, vooral wanneer de vrouw de borsten met trots draagt, wanneer haar hele lichaam als het ware een dienblad is waarop de mooie borsten worden binnengedragen als allemachtig lekker fruit voor de koning. "Hier koning, het heerlijkste fruit van het land, eet maar, drink maar." En de koning tast toe. Het ene stuk fruit heeft hij nog niet achter de kiezen of hij propt alweer een nieuw stuk fruit naar binnen, net zolang tot zijn gulzige koninklijke mond zo vol zit dat er niks meer bij kan, zelfs geen partje van een mandarijn. Werkelijk, de sappen stromen langs zijn kin en hals naar beneden, zo in zijn koninklijke hemd, en hij wordt plakkerig van onder tot boven. Maar wat een goddelijk fruit! Wat een goddelijke plakkerigheid!
Jawel, zo wordt de koning verwend. O, waren wij maar de koning.
Maar voor ons staan de zaken er anders voor. Wij mogen alleen kijken. Wat een machtig mooi gevoel is het toch voor een vrouw om met een volle fruitschaal tussen de dorstige en hongerige mannen door te lopen en alleen de koning mag ervan nemen. 

* Een tijdje geleden vond ik een stapel krantencolumns terug die ik eenentwintig jaar geleden, in het jaar 1999, schreef. Ze gingen over een café waar ik toen wel eens kwam en over enkele mensen die daar ook wel eens kwamen. Ik was de columns vergeten. Omdat ze zoete en bittere herinneringen bij me oproepen, wil ik ze graag opnieuw publiceren hier op Eeuwige Bouillon. Dit is de zesde column. Als m'n nieuwe pc er is - de oude is ontploft - ga ik weer verder met de achtdelige serie Zeven dagen  in Normandië.

zaterdag 8 augustus 2020

De ziel kan nimmer in droge oorden verblijven (5) / Een goed been*

Glas met hoge voet
Het werk van een barkeeper is eenvoudig. Als iemand jenever bestelt, dan hoeft hij alleen maar een glas en een jeneverfles te pakken en de jenever uit de fles in het glas te schenken. Zo eenvoudig is nou het werk van een barkeeper. Ja, het is werkelijk een makkelijke baan en een barkeeper die klaagt dat zijn werk zwaar werk is, die heeft het vast en zeker aan zijn eigen uitsloverij te wijten.
Precies zo'n uitslover is onze barkeeper. Hij schenkt niet gewoon een glas jenever in op de eenvoudige manier, nee, hij moet er perse een spektakel van maken. Met zijn ene hand pakt hij de jeneverfles uit de koelkast en gooit die de lucht in op de manier van een jongleur. Terwijl de fles nog in de lucht hangt, pakt hij met zijn andere hand het jeneverglas en ook dat gooit hij in de lucht op de manier van een jongleur. Dan vangt hij glas en fles op uit de lucht, zet het glas voor de klant op de bar en begint te schenken, waarbij hij de fles steeds hoger en hoger houdt, waardoor de straal steeds langer en langer wordt! Dat alles doet hij zonder te knoeien. Tenslotte maakt hij zo'n overdreven theatrale buiging naar de klant, dat hij zowat met het puntje van z'n neus z'n schoenen aanraakt. Ook neemt hij met een zwierig gebaar z'n hoed af. Z'n denkbeeldige hoed wel te verstaan. Geen wonder dat hij moe is aan het einde van de avond.
Onze barkeeper is niet alleen een uitslover en een jongleur, hij is ook een kletskous, dus als je wilt dat iets snel bekend wordt hoef je het alleen maar in zijn oor te fluisteren. Maar meer nog dan een uitslover, een jongleur en een kletskous is hij een fantast. Hier is wat hij vandaag te vertellen had over de oorsprong van de voet onder het wijnglas, en over het kunstbeen, pardon de beenprothese, van J. 
"Weten jullie waarom er een voet onder het wijnglas zit?" vroeg hij.
"Nee, nooit over nagedacht," antwoordden wij naar waarheid.
"Wel," begon hij, "in de Middeleeuwen stonken de lichamen van de mensen omdat ze zich niet wasten. Om te voorkomen dat de stank ondraaglijk werd, snoerden ze hun kleren dicht bij de openingen, dus bij de polsen, de enkels en de hals. Zo ontstonden de pofbroek en de pofmouw. De mooie witte sierkragen die je op oude schilderijen soms ziet waren helemaal niet voor de sier; ze waren bedoeld om kleding ook bij de hals goed dicht te snoeren als een vuilniszak. Maar hoe goed iemand ook was dichtgesnoerd, de stank van zijn hand rook hij altijd, omdat hij daarmee zijn billen afveegde na het poepen. En daarom zat er een hoge voet onder het wijnglas, hoger naarmate iemand rijker en adellijker was, zodat hij bij het naar de mond brengen van het glas zijn hand niet hoefde te ruiken."
Dit gezegd hebbende, begon onze barkeeper zijn neus te snuiten in een geruite zakdoek, waarbij hij een schetterend neuslawaai maakte. Later op de avond beweerde hij dat er in de beenprothese van J. een luikje zit waarachter zich een kleine ruimte bevindt met een asbak, een doosje lucifers, een pakje sigaretten en een flacon sterke drank.
"Het is een goed been," zei hij. 
Zo'n aartsfantast!

* Een tijdje geleden vond ik een stapel krantencolumns terug die ik eenentwintig jaar geleden, in het jaar 1999, schreef. Ze gingen over een café waar ik toen wel eens kwam en over enkele mensen die daar ook wel eens kwamen. Ik was de columns vergeten. Omdat ze zoete en bittere herinneringen bij me oproepen, wil ik ze graag opnieuw publiceren hier op Eeuwige Bouillon. Dit is de vijfde column. Als m'n nieuwe pc er is - de oude is ontploft - ga ik weer verder met de achtdelige serie Zeven dagen  in Normandië.

vrijdag 7 augustus 2020

De ziel kan nimmer in droge oorden verblijven (4) / Wat gefluisterd wordt is zeer krachtig*

Goudbestikte blauwe zijde (AI)
In het café mogen wij op alle barkrukken gaan zitten behalve op één. Die is namelijk van R.
R. komt elke dag om ongeveer dezelfde tijd, hij draagt een donkere zonnebril (donkerder naarmate het lichter wordt) en hij drinkt altijd hetzelfde (zoals de meeste mensen).
Wanneer hij in ongeveer tweeënhalf uur zeven glazen van hetzelfde heeft gedronken gaat hij weg.
Zijn huis is vlakbij. Wij weten niet welk huis het precies is en wij weten natuurlijk ook niet hoe het huis er van binnen uit ziet.
Vandaag ving R. per ongeluk een glimp van zichzelf op in een spiegel. Daardoor moest hij weer denken aan vroeger. Hij zegt hierover (over vroeger): "Ik was op weg naar de top. Ik had talent en een verlangen naar macht. Ik vloog elke week naar New York. Ik droeg mooie pakken met glanzende schoenen en kostbare goudbestikte stropdassen. Ik droeg streepjeshemden met ingelegde manchetten in de knoopsgaten. Al die kledingstukken stonden mij goed. Op de lippen van vrouwen verscheen vanzelf een glimlach wanneer ze mij zagen. Mijn auto was een zwarte Maserati Quattroporte en mijn vrouw was een fotomodel uit Moskou."
Wij hebben het verhaal al honderd keer gehoord.
"Soms reed ik door de straten van de stad in mijn Maserati Quattroporte, in mijn mooie pak, met de goudbestikte stropdas om en met een hand op het been van mijn Moskouse fotomodel en dan voelde ik mij precies zo gelukkig als mijn ambitie mij toestond. Ik vond het fijn om afgunst te zien in de ogen van anderen. Afgunst wakkerde trots en strijdlust in mij aan. Ik werd sterker van elke vorm van vijandigheid."
Wij kennen het verhaal uit ons hoofd. Nu komt het gedeelte met de gevoelige snaar en de tranen.
"Ik voelde mij altijd en overal op mijn gemak als een heerser. Behalve wanneer iemand aardig voor mij was. Dan voelde ik mij opeens een kleine jongen. Het raakte een gevoelige snaar in mij. Het was dan net alsof er in god-weet-wat voor een diepe laag van mij tranen begonnen op te wellen. Ik was er altijd in geslaagd om korte metten te maken met de tranen maar op een dag had ik geen kracht meer om tegen ze te vechten. En daar kwamen ze, midden in een vergadering of tijdens een redevoering of tijdens een zakendiner. Dan voelde ik de gevoelige snaar trillen."
Hoe kan iemand honderd keer hetzelfde verhaal vertellen en toch elke keer denken dat hij iets nieuws vertelt? K. zegt: herhaling is de wet en het geheim van de geschiedenis. Herhaling is troostrijk en herhaling is als vergetelheid. Ik geloof dat hij daar gelijk in heeft. Nu komt het gedeelte met de zonnebril.
"Ik moest een zonnebril opzetten om mijn betraande ogen te verbergen. Ik kocht de beste en duurste zonnebril die er te koop was. Dit was een Ray-Ban. Ik zette hem op en deed hem niet meer af. Mijn personeel begon te fluisteren dat mijn schouders de weelde van het succes niet konden dragen, dat ik aan de drank was, dat mijn fotomodel weggelopen was, dat ik schulden had. Wat gefluisterd wordt is zeer krachtig. Maar de eenvoudige waarheid was dat ik mijn tranen niet meer kon bedwingen. Verder ging het heel goed met mij. Het kon niet beter, de tranen niet meegerekend."
Aan zijn mooie stem is nog te horen dat hij vroeger een belangrijk man was.

* Een tijdje geleden vond ik een stapel krantencolumns terug die ik eenentwintig jaar geleden, in het jaar 1999, schreef. Ze gingen over een café waar ik toen wel eens kwam en over enkele mensen die daar ook wel eens kwamen. Ik was de columns vergeten. Omdat ze zoete en bittere herinneringen bij me oproepen, wil ik ze graag opnieuw publiceren hier op Eeuwige Bouillon. Dit is de vierde column. Als m'n nieuwe pc er is - de oude is ontploft - ga ik weer verder met de achtdelige serie Zeven dagen  in Normandië.

donderdag 6 augustus 2020

De ziel kan nimmer in droge oorden verblijven (3) / My shadow is yours*

Het hele jaar door is de stemming een tikje melancholiek, omdat 1999 het laatste jaar is van een periode van duizend jaar. Er wordt gedanst en gezongen in het café en gedronken. Proost! Champagnekurken vliegen door de lucht en nu en dan blaast iemand op een toeter die vreemd genoeg klinkt als twee toeters.
Te midden van al dat liederlijke gedrag blijft één man recht overeind als een pilaar van menselijke waardigheid en dat is K. Hij wordt een boekenwurm genoemd omdat hij altijd met z'n neus in de boeken zit. Twintig jaar geleden trouwde hij met een Parisienne maar het bleek dat hij niet tegen intimiteit kon en sindsdien leeft hij alleen.
Hij komt elke dag. Soms beledigt hij iemand. Dan maakt hij meteen zijn excuses, hoewel het bekend is dat excuses maken moeilijk is en voor sommigen zelfs onmogelijk. Soms maken we ons zorgen over hem, maar hij zegt: "Jullie hoeven je over mij echt geen zorgen te maken." Dus dat doen we niet meer.
Hij zit vol verhalen uit boeken. Ik weet niet wat eigenaardiger is, iemand die ongelofelijk veel heeft beleefd maar nooit eens een mooi verhaal vertelt of iemand die nooit wat beleeft en het ene na het andere mooie verhaal vertelt. Ik zou werkelijk niet kunnen zeggen welke van de twee nu de saaie is en welke de interessante. Hoe dit ook zij, K. is overal welkom want in zijn hoofd zitten niet alleen mooie verhalen, maar ook mopjes, levenswijsheden en uitvoerige theorieën. Meisjes en vrouwen die in de liefdesproblemen zitten of zichzelf te dik vinden, gaan vaak met hem praten en bij hem uithuilen. Bij elke gemoedstoestand weet hij wel een passend citaat van Goethe, Schiller of Shakespeare. Niet de minsten! Als blijkt dat de groten der aarde dezelfde narigheid hebben meegemaakt, dan is het allemaal meteen minder erg.
K.'s werk is het met een minibusje van huis halen en naar hun werk brengen van mensen met een lichamelijk of geestelijk gebrek. Het is een bescheiden maar verantwoordelijke baan en hij is er hele dagen druk mee. Zijn lievelingsdrank is mescal, een Mexicaanse drank waar een wurm in zit. Als de wurm begint te rotten en weg te kwijnen, dan is de mescal niet meer goed. Maar zolang de wurm vet en sappig is, is de mescal heerlijk. Om indruk te maken op zijn gezelschap eet K. de wurm wel eens op. Dan eet onze boekenwurm een wurm. Hij heeft de mescal leren kennen door het boek Under the volcano van de schrijver Malcolm Lowry, dat handelt over een Britse consul die verslaafd is aan mescal. Het boek eindigt met de woorden: "Somebody threw a dead dog after him down the ravine." Het is dus niet perse een opmonterend boek, hoewel ook deze zin erin staat: "I have no house, only a shadow. Whenever you are in need of a shadow, my shadow is yours."
K. heeft meer talent voor vrolijkheid dan voor geluk. Hij drinkt onder het motto natura abhorret vacuum en zijn lach heeft de eigenschap lang na te klinken in je hoofd.

* Een tijdje geleden vond ik een stapel krantencolumns die ik eenentwintig jaar geleden, in het jaar 1999, schreef. Ze gingen over een café waar ik toen wel eens kwam en over enkele mensen die daar ook wel eens kwamen. Ik was de columns vergeten. Omdat ze zoete en bittere herinneringen bij me oproepen, wil ik ze graag opnieuw publiceren hier op Eeuwige Bouillon. Dit is de derde column. Als m'n nieuw pc er is - de oude is ontploft - ga ik weer verder met de achtdelige serie Zeven dagen in Normandië.

maandag 3 augustus 2020

De ziel kan nimmer in droge oorden verblijven (2) / Dubbelleven*

Er zijn lezers die menen dat de drinkers en zuipers die ik hier in deze laat-twintigste-eeuwse kroniek van het Amsterdamse caféleven ten tonele voer niet werkelijk bestaan, maar dat ik ze gewoon uit m'n duim zuig. Nou, daar is helemaal niks van waar, al moet ik wel zeggen dat ik aan sommige types een beetje heb zitten boetseren om ze onherkenbaar te maken voor zichzelf en anderenvooral voor anderen. Want het is een bekend feit dat een mens heel goed de eigenaardigste en idiootste dingen van zichzelf kan verdragen, zolang niemand anders er maar iets van weet. Zo ken ik een weirdo from Weirdsville die heel vreemde gedachten heeft en dat is voor hemzelf geen enkel probleem. Maar laatst vertelde hij er iets over aan een vrouw en die keek hem geschrokken aan.
En nu willen jullie natuurlijk weten wat voor vreemde gedachten dat precies waren, maar dat ga ik niet zeggen. Ik kan jullie alleen verzekeren dat ik nog nooit in m'n hele leven zulk een buitensporig gedachtengoed ben tegengekomen.
Maar waar had ik het ook weer over? O ja, ik heb er dus een beetje aan zitten boetseren, aan die figuren, omdat het er in een café nu eenmaal anders aan toe gaat dan in het normale maatschappelijke verkeer. 
Een tijdje geleden
moest ik bij een loket van de gemeente zijn, en wie zat daar achter dat loket met een stropdas voor, een keurig streepjeshemd, een uitgestreken smoel en zulke netjes gekamde haren dat ik hem nauwelijks nog herkende? Iemand uit ons café! En niet zomaar een brave jongen die elke dag stilletjes zijn natje komt opdrinken zonder iemand lastig te vallen maar een rotzak van de ergste soort.
Omdat ik zo lang in de rij moest staan had ik alle tijd om hem te bestuderen en ik kan onmogelijk in twee woorden uitleggen hoe groot het verschil was tussen de man die ik ken uit het café en deze man hier achter het loket.
Als zijn chef wist hoe hij zich in ons café te buiten gaat aan allerlei vormen van liederlijkheid, hoe hij vloekt en tiert en onbeschoft is tegen iedereen, dan zou hijdie chef bedoel ikniet geloven dat het dezelfde persoon is die daar nu zo braaf zit te knipmessen achter dat loket en vliegt en rent op de manier van uw wens is mijn bevel. Het is niet ondenkbaar dat die chef dan de eerste gelegenheid zou aangrijpen om hem op staande voet te ontslaan. Daarom is het beter dat ik deze loketbeambte niet met naam en toenaam noem en niet naar het leven teken, want ik wil het niet op m'n geweten hebben om iemand van zijn werk en dubbelleven te beroven. Mijn geweten kan op dit moment maar heel weinig verdragen. Het is namelijk al een tijdje overbelast en raakt al bij het minste geringste over z'n toeren.
Ik denk dat het nu wel duidelijk is wat ik bedoel, namelijk dat je niet zomaar alles naar waarheid kunt opschrijven en dat je een beetje moet boetseren aan zo'n figuur om hem voor zichzelf en voor anderen onherkenbaar te maken zoals ik al zei.
Ik dacht, terwijl ik in de rij op m'n beurt stond te wachten: het zou pijnlijk zijn als die rotzak nu opeens voor mij moest rennen en vliegen. Zo zijn wij tenslotte niet getrouwd. Daarom ging ik in een andere rij staan. Ik moest helemaal achteraan aansluiten want niemand wilde me voor laten gaan hoewel ik vreselijke haast had, wat ik ook kenbaar maakte. Zelf laat ik de haastigen trouwens altijd voor gaan. Het maakt dat ik me een goed mens voel.
Het was me toch een lange rij! En hij ging me toch langzaam! Maar ik was blij dat ik erin stond. 

* Een tijdje geleden vond ik een stapel krantencolumns die ik eenentwintig jaar geleden, in het jaar 1999, schreef. Ze gingen over een café waar ik toen wel eens kwam en over enkele mensen die daar ook wel eens kwamen. Ik was de columns vergeten. Omdat ze zoete en bittere herinneringen bij me oproepen, wil ik ze graag opnieuw publiceren hier op Eeuwige Bouillon. Dit is de tweede column. Als m'n nieuw pc er is - de oude is ontploft - ga ik weer verder met de achtdelige serie Zeven dagen in Normandië.

De ziel kan nimmer in droge oorden verblijven (1) / Vijf tegen de kale*

Het zou wenselijk zijn als iedereen wist waar hij vandaan kwam.
Dat dacht ik toen ik laatst in het café een praatje maakte met iemand die beweerde dat hij liefst zesendertig kinderen had, waarvan hij er geeneen kende.
"Geeneen van de zesendertig?" vroeg ik. Ik was er tamelijk verbaasd over en daarom vroeg ik het nog een keer om er zeker van te zijn dat mijn oren me niet bedrogen.
Die man liet er in woord en gebaar geen twijfel over bestaan dat ik het goed gehoord had, en daar begon hij het opvallendste verhaal te vertellen dat ik in vele jaren gehoord had.
Het kwam er goedbeschouwd op neer dat hij me iets vertelde wat ik allang wist, alleen op zo'n manier dat het wel leek alsof ik het voor het eerst hoorde. En daaruit bleek, dat hij niet alleen een schurk was maar ook een goede verteller die er niet omheen draaide.
Voordat ik verder ga, wil ik eerst een wijsgerige opmerking maken. Niet dat ik nu zo'n wijsgeer ben, maar het is wel zo dat ik sinds m'n achttiende ongeveer zeven boeken per maand heb gelezen, wat twintig jaar later neerkomt op ongeveer tweeduizend boeken in totaal. En dat lijkt misschien niet zo heel veel als je zuiver en alleen naar het getal kijkt, maar als je naar de titels kijkt dan ziet het er meteen al heel wat indrukwekkender uit, al moet ik toegeven dat ik niet alles van begin tot einde heb uitgelezen, omdat sommige boeken, nou ja, behoorlijk saai en taai waren ondanks hun veelbelovendheid.
Ik denk trouwens dat ik die wijsgerige opmerking maar achterwege laat, anders kom ik niet meer toe aan het ongelofelijke verhaal van die man en zijn zesendertig kinderen. De opmerking houden jullie wel te goed want het is een goeie.
Hij was zonder meer knap om te zien en hij hield kennelijk erg veel van vrouwen, want hij vertelde dat hij zich het hiernamaals voorstelde als een plaats waar allemaal blote vrouwen waren die het helemaal niet erg vonden als hij ze ongevraagd en liefdevol aanraakte.
Ik gaf hem het ene glas spraakwater na het andere om ervoor te zorgen dat hij niet ophield met praten, en toen vertelde hij dat hij gedurende een bepaalde periode in zijn leven elke maand zijn zaad naar een soort zaadbewaarplaats had gebracht.
In plaats van het zaad in de gootsteen te spuiten of in de wc of op de grond of in de lakens of in een zakdoek of in zijn hand of in een vrouw ("waar het tenslotte hoort") spoot hij zijn zaad in een speciaal flesje om zaad in te bewaren. Daarna draaide hij er een rubberen dop op, reed hij zo snel als hij kon naar de zaadbewaarplaats met het zaad in de binnenzak van zijn colbert om het te beschermen tegen het zonlicht.
Hij moest er binnen een half uur zijn, dus uiterlijk een half uur nadat het zaad uit hem was gekomen, anders was het zaad dood. Bij de zaadbewaarplaats aangekomen gaf hij het zaad onmiddellijk aan een medewerkster die het vliegensvlug in een grote koeldoos stopte (waaruit witte damp opsteeg door de ijzige koude).
Voor de bezigheid van het aan zijn geslachtsdeel rukken gebruikte hij trouwens meerdere malen de Catalaanse uitdrukking vijf tegen de kale, wat ik grappig vond.
Omdat hij om de hoek bij de zaadbewaarplaats woonde hoefde hij dat werkje niet ter plekke op te knappen, maar mocht hij het thuis doen, wat veel gemakkelijker en prettiger is, zei hij, aangezien er dan niemand op je vingers zit te kijken.
Toen vroeg ik aan hem hoe hij kon weten dat hij zesendertig kinderen had en hij antwoordde:
"Het is zesendertig keer gelukt."
"Wat is er gelukt?" vroeg ik.
"Mijn zaad heeft zesendertig keer een vrouw bevrucht."
Goede god, dacht ik, mijn zaad heeft nog geen enkele vrouw bevrucht!
En daarna dacht ik: het zou wenselijk zijn als iedereen wist waar hij vandaan kwam.
Want dat we niet weten wat de toekomst brengt, daar zijn we aan gewend, maar als ook het verleden onbekend is, dan hebben we aan beide uiteinden geen houvast en zweven we door de wereld als een blaadje over afgronden. 

* Een tijdje geleden vond ik een stapel krantencolumns die ik eenentwintig jaar geleden, in het jaar 1999, schreef. Ze gingen over een café waar ik toen wel eens kwam en over enkele mensen die daar ook wel eens kwamen. Ik was de columns vergeten. Omdat ze zoete en bittere herinneringen bij me oproepen, wil ik ze graag opnieuw publiceren hier op Eeuwige Bouillon. Dit is de eerste column. Als m'n nieuw pc er is - de oude is ontploft - ga ik weer verder met de achtdelige serie Zeven dagen in Normandië.