woensdag 27 november 2019

Piëta met hond (16) / Eine kleine Nachtmusik




PIËTA MET HOND


14


Eine kleine Nachtmusik





Ik vielen daardoor werd ik wakker, badend in het zweet. Lisa werd ook wakker.
  'Wat is er?' vroeg ze.
  'Ik viel van de kerktoren.'
  'Wat deed je daar dan ook?'
  'Ik was een haan.'
  'Een weerhaan?'
  'Nee, een echte haan, met veren.'
  Lisa haalde een glas water voor me.
  'Een echte haan? Maar die hoort toch op de grond?'
  'Jawel, maar deze zat op de kerktoren, op het puntje. Hij zat daar goed.'
  'En de maan, was die er ook, zoals in al je dromen?'
  'Die was er ook, maar daar wil het nu liever niet over hebben.'
  'En wat gebeurde er toen?' vroeg Lisa.
  'Ik viel eraf. Een haan kan niet vliegen.' 
  'En hij kan ook niet zoenen,' zei Lisa.
  Ze zoende me, heel zacht. Het is waar dat hanen geen lippen hebben, maar snavels. Ze kunnen daardoor niet zoenen.

  Binnen hing nog de hitte van overdag. Ik kleedde me aan en ging de straat op.
  'Midden in de nacht?' vroeg Lisa nog. Ze probeerde me niet tegen te houden.
  'Ik ga mee,' zei Bram. Misschien wilde hij nog ergens een tag zetten.
  Buiten was het koel en geurig.
  Na een poosje hoorden we voetstappen achter ons. Volgens Bram was het de politie. Ze hielden hem in de gaten, beweerde hij. Ze probeerden hem op heterdaad te betrappen bij het nachtelijke bomben. Hij was een tikje paranoia. Dat hoorde erbij. In Bram z'n scene was iedereen een tikje paranoia.
  De voetstappen gingen precies dezelfde kan op als wij, steeds dezelfde hoek om en steeds dezelfde trappen op en af. We gingen steeds sneller lopen, maar de voetstappen ook, en op het laatst begonnen we te rennen. Door winkelstraten, door steegjes, over pleinen, door parken en door zacht geel zand (onder de stad is zand).
  Opeens had ik er genoeg van. Ik draaide me om. Er was niemand achter ons. Helemaal niemand.
  'Waar zijn we?' vroeg ik. 
  Bram wist het ook niet. Door het harde rennen zonder na te denken waren we ergens terecht gekomen waar we allebei nog nooit geweest waren.
  'Als jullie me geld geven, dan zeg ik waar jullie zijn,' zei een gebarsten vrouwenstem. 
  Bram haalde een verfommeld bankbiljet uit z'n zak tevoorschijn, rolde het op in de lengte als een sigaar, en stak het haar toe. Haar haren zaten door de war. De nagels van haar vingers waren geen raampjes waar je doorheen kon kijken, zoals bij vrouwen die elke week naar de manicure gaan; ze waren aardezwart en hoornig, als de nagels van een dier of van de duivel.
  'Vroeger was ik altijd bang,' zei ze. 'Als ik een zwerver zag op straat, dan raakte ik in paniek door de angst om ook zo te worden.'
  Ik wilde ophouden met luisteren. Ik wilde m'n vingers in m'n oren stoppen. Was ik soms de klaagmuur van Jeruzalem? Ik had een keer een goochelaar gezien. Hij duwde een lange stok in z'n oor. Die kwam er bij z'n andere oor weer uit. Applaus. Maar het was pas echte tovenarij geweest als de stok er aan de andere kant niet uit was gekomen, als de stok in het goochelaarshoofd was blijven zitten, precies zoals met verhalen vaak gebeurt.
  'Dingen die me bang maakten,' ging de vrouw verder, 'waren als een magneet voor me. Als je zwak bent, zoals ik, dan vlucht je naar het gevaar toe in plaats van er van weg. Je gaat het gevaar omhelzen in plaats van ertegen te vechten.'
  Droomde ik? Of gebeurde dit echt?
  'Dus eerst verloor ik m'n werk, toen m'n man, toen m'n huis en tenslotte woonde ik op straat. Nu hoef ik niet meer bang te zijn om een zwerver te worden. Nu ben ik er één. En ik ben gelukkig, want ik heb geen grote angst meer.'
  'Wat een logica,' zei ik tegen Bram. 
  Het was nog kilometers lopen naar huis.
  Achter ons kwam een auto met grootlicht de hoek om rijden. Onze schaduwen werden zo lang als magere reuzen.
  'Wacht even,' zei Bram. 
  Hij sprong voor de autoeen Opelen hield 'm tegen door z'n hand in de lucht te steken. De Opel stopte en er ging een raam open.
  'Kunnen we een eindje mee rijden?' vroeg Bram. 'We moeten naar Oost.'
De bestuurder van de Opel grinnikte. Vlak onder z'n neus, in een snor die daar groeide, zat witte poeder. Dat was cocaïne.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten