Posts tonen met het label Piëta met hond. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Piëta met hond. Alle posts tonen

zondag 22 december 2019

Piëta met hond (33) / Wat heb je gedaan?




PIËTA MET HOND


27 (slot)

Wat heb je gedaan?




De kliniek van dokter Ping lag in een park. Het was daar zo stil en het rook daar zo lekker naar bloemen, dat ik er ontroerd door werd.
  Een konijn met een witte staart maakte een dubbele salto in de lucht. Daarna rende hij achter een ekster aan. Een veldmuis zat ernaar te kijken.
  Ik rook kamperfoelie en jasmijn en de ouderwetse geur van rozen. In de vijver, op het blad van een waterlelie, zat een gespierde groene kikker te kwaken.
  En wat was dat voor een concert in de bomen? Merels soms?
  Ik had zin om op mijn rug in het gras te gaan liggen met een grasspriet in mijn mond en een hoed over mijn ogen tegen de zon. Ik herinnerde me een melodie van heel vroeger.
  Ik rende naar binnen, de kliniek van dokter Ping in. Wat een toepasselijke naam was Ping. Het was precies het geluid dat ik me voorstelde bij het verwijderen van een embryo:

Pingg!

   Zo heel licht en zangerig, met een definitief begin en een open einde ongeveer zoals een kristallen glas klinkt als je er met je nagel tegenaan tikt.
  De portier van de kliniek rende achter me aan, maar hij kon me niet bijhouden. Door het roken was hij binnen een paar seconden buiten adem.
  Daar lag Lisa, op de operatietafel, haar benen wijd. Arme Lisa.
  En daar was dokter Ping.
  'Wat komt u hier doen?' vroeg hij. Hij was zijn instrumenten aan het slijpen. Hij had enorm behaarde armen. 
  Ik sloeg hem meteen op zijn bek. Dat kon geen kwaad.
  Voor de zekerheid deed ik het nog een keer. Wat een soejang. Daar had hij niet op gerekend.
  'Lisa! Hier ben ik! Kijk eens wat ik voor je heb! Een ring, een jurk, parfum!'
  Ik geloof niet dat ze me herkende. Ze hadden haar een spuitje gegeven, of een paar pilletjes. 
  Dokter Ping richtte zich op, hij was groggy. Ik gaf hem nog een soejang. Ik tilde Lisa van de tafel en droeg haar in mijn armen naar buiten. 
  'Je weet toch wel wie ik ben?' vroeg ik toen we buiten waren.
  Eindelijk herkende ze me. Ik legde haar voorzichtig in het zachte gras.
  'Wat is er met je gebeurd?' vroeg ze.
  'Met mij? Niks.'
  'Je lijkt wel een gewonde soldaat uit een oorlog, of een gewonde bokser na een boksgevecht. Kom eens dichterbij met je gezicht.'
  Ik kwam dichterbij.
  'Wat is er met je gebeurd?' vroeg ze nog een keer.
  'Niks,' zei ik. Ik had geen zin om de waarheid te vertellen en ook geen zin om te liegen.
  Lisa pakte mijn hoofd tussen haar handen en kuste mijn wonden. Daarna was ze een poos stil. Ze was aan het nadenken, dat kon ik wel zien.

   'Wat heb je gedaan?' vroeg ze.
  'Het lot in eigen hand genomen,' zei ik. 'Ons kind gered van de ondergang.'
  'Maar het is jouw kind niet,' zei Lisa. 'Het is van die andere, die je in elkaar hebt geslagen op de markt. Daarom wilde ik het weghalen. Ik durfde het niet te zeggen. Maar ik dacht dat je het wel wist. Dat je het daarom wel goed vond. Want je kunt toch rekenen, jij sufferd. We hadden het al een tijd niet meer gedaan. En kijk nu eens in wat voor toestand je ons hebt gebracht met je heldendaad. Nu krijg ik van iemand anders een kind.'
  Ik wilde haar weer terugbrengen naar dokter Ping en mijn excuses maken vanwege de vergissing, maar dat wilde Lisa niet. 
  We lagen naast elkaar in het zachte groene gras. Een eekhoorntje kwam heel voorzichtig naderbij.
  'Zullen we op reis gaan?' vroeg ik. 
  'Ver weg?' vroeg Lisa.
  'Ja,' zei ik, 'heel ver weg.'
  'Goed,' zei ze.
  We gingen linea recta naar Schiphol en kochten tickets naar de verst verwijderde lastminute bestemming. Wachtend op onze vlucht, zittend in de gate, zag ik een Boeing 747 opstijgen (ook wel Jumbo Jet genoemd). En weet je wat er op die Boeing stond, op de zijkant, in levensgrote hanenpoten?

Wolf 183

   Dat vond ik zo goed van Bram. 
  We stegen op uit onze levens. We vlogen over de oceaan en over Amerika. We vlogen negenduizend kilometer door de lucht, voor de nacht uit, naar de andere kant van de wereld.
  Halverwege de vlucht haalde de nacht ons in. We vielen in een diepe, bodemloze slaap, tien kilometer boven het aardoppervlak. We werden pas wakker toen we geland waren.
  'Naam?' vroeg de receptionist van de Holiday Inn.
  'Herman Lips,' zei ik. 
  Ik stotterde niet meer. Het kwam doordat we zo ver weg waren.
  We hadden honger en gingen wat eten in een sjiek restaurant. Maar liefst drie bedienden liepen er rond onze kleine tafel te knipmessen, een voor de drank, een voor het voedsel, en een om te vragen of alles naar wens was en of het wel smaakte allemaal.
  'Is alles naar wens en smaakt het wel allemaal?'
  Lisa werd er zenuwachtig van, dus vroeg ik beleefd aan die bediende of hij niet liever bij een andere tafel wilde gaan staan.
  Ik nam bouillabaise, een soep met daarin vele soorten vissen. Het leek net of ze nog rondzwommen in het bord, zo vers waren ze, die vissen. En wat smaakten ze lekker. Het leek wel of er voor elke vis voor de poon, de wijting, de zeeduivel en god mag weten wat er nog meer in die soep rondzwom een aparte wereldberoemde, gespecialiseerde Franse kok was ingevlogen. Werkelijk, geen graatje was er te vinden in die soep.
  En moet je eens horen wat Lisa nam: gebakken reuzengarnalen, zogenoemde 

Giant Shrimps

  Wat een grote garnalen waren dat, het leken wel kleine persoontjes met een eigen vader en moeder, een eigen karaktertje en al, zo groot waren ze. Lisa at haar vingers er zowat bij op.
  Toen we klaar waren met alles nam ik een glas wodka om een einde te maken aan de feestmaaltijd en tevens ter herinnering aan de oude wolf. Ik sloeg het glas in één keer achterover en bestelde er nog een met de woorden: 'Nog eentje graag. Kom op, schenken man.' 
  Als je maar blijft drinken, ga je niet dood.
  Lisa nam een groot glas Coca Cola, een zogenoemde

Giant Coke 

  Daarna gingen we een eindje wandelen door El Pueblo de Nuestra Señora la Reina de Los Ángeles del Rio de Porciúncula, oftewel Het Dorp van Onze Vrouwe de Koningin der Engelen van de Rivier de Porciúncula, oftewel Los Angeles, L.A.
  Want daar waren we geland.
 


© Peter Bekkers, Amsterdam 1997/2019

zaterdag 21 december 2019

Piëta met hond (32) / Cursus ademhalen




PIËTA MET HOND


26


Cursus ademhalen




'Jij kunt mooi praten,' zei mevrouw de Wolf.
  'Maar ik heb een spraakgebrek,' zei ik.
  'Dat geeft niks.'
  Ik vond van wel. En hoewel mijn vader gelijk had dat je het maar beter niet over vroeger kunt hebben, wil ik toch graag vertellen hoe ik aan het spraakgebrek was gekomen.
  Wel, op een dag had ik het gewoon. Ik was een jaar of tien. De oorzaak was verkeerd ademhalen, zei de dokter. En daarom werd ik naar een cursus ademhalen gestuurd.
  'Baat het niet, dan schaadt het niet,' zei mijn moeder. En dat was wel iets heel eigenaardigs om te beweren over ademhalen.
  Ik belde aan bij de ademhalingsdeskundige en ik werd binnen gelaten. Er lagen matrassen op de grond. Ik moest erop gaan liggen, mijn ogen sluiten en ademhalen op een rustige manier. De deskundige vertelde ondertussen het volgende verhaal over Leonardo da Vinci: de grote Leonardo ging elke week naar de markt om een vogel in een kooi te kopen. Maar in plaats van de vogel mee naar huis te nemen, zoals elk gewoon mens, maakte hij de kooi ter plekke open en liet het diertje vrij. De mensen spraken er schande van. Waarom koopt Leonardo vogels als hij niet van ze houdt? Waarom? Maar het was juist Leonardo die van vogels hield.
  'Zo is het ook met woorden,' zei de deskundige. 'Je moet de woorden vrijlaten, zoals Leonardo de vogels.'
  Hij zei dat ik de zuil van adem uit mijn lichaam moest halen. Hij begon me aan te raken met zijn handen.
Mij niet aanraken! Ik deed als de bliksem mijn ogen open. Met een sprong was ik bij de deur. Ik smeerde 'm. Ik blies de aftocht.

  Naast het graf van de oude wolf was een heuvel van aarde. Daar moest ik op gaan staan en mijn praatje houden.
  Ik klom op de heuvel.
  Het was nog vroeg, maar de zon scheen volop. Het was warm. Ik speurde de hemel af naar de komeet. Waar was hij gebleven? Hij was er niet meer. Hij was verder gegaan.  
  Er waren veel mensen naar de begrafenis gekomen. Ik deed mijn best om de vogels vrij te laten, maar er kwam alleen maar machteloos gepruttel en gesputter uit mijn mond, hoe ik ook aan de grote Leonardo dacht. Lieve god, wat een gestotter. Ik wilde het over de oude wolf en de rivier uit zijn jeugd hebben.
  Ik probeerde de woorden uit alle macht naar buiten te duwen. Ik perste en porde en poerde. Ik haalde geweldig diep adem, alsof er in mijn tenen lucht zat. Maar mijn lippen wilden de woorden er niet door laten.
  Het kwam doordat iedereen zo verwachtingsvol naar me keek.
  Tot overmaat van ramp ging er een vlieg op mijn neus zitten. Hij ging daar zijn snuitje zitten wassen met zijn voorpootjes.
  Toen kon een vrouw haar lachen niet meer houden. Ik heb nog nooit iemand zo zien lachen op een begrafenis. Ze kon niet meer op haar benen staan van het lachen. Ze zakte door haar knieën, op de grond. Haar hele lichaam schudde van het lachen. Als wilde paarden in galop, met wapperende manen, kwamen de lachsalvo's uit haar mond.
  Ik sprong in één keer van de heuvel af, de wijde wereld in.

  Om elf uur begon de weghaling van het embryo in de kliniek van dokter Ping. Dat was ik door alle opschudding bijna vergeten. Ik moest erheen, om het tegen te houden! Maar eerst moest ik naar mijn huis, om nog wat spullen te redden van de sloop.
  Ze waren al bezig, de slopers. Er stonden hoge hekken om ons huizenblok. Er waren honderden agenten, duizenden betogers met spandoeken en veel journalisten.
  Achter de hekken reden de machtige sloopmachines in het rond, sommige met een enorme rij blinkende stalen tanden, andere met een sloopkogel zo zwaar als een planeet, weer andere met kleine, gemene karteltandjes als reusachtige knaagdieren.
  Het leek wel Jurassic Park.
  'Laat me erdoor,' zei ik tegen een agent. Aan de riem van zijn broek hing een lange gummiknuppel om ongehoorzame mensen mee af te ranselen.
  'Waarom zou ik je erdoor laten,' vroeg hij. 'Ben je soms de koning?'
  'Nee, maar ik woon hier. Er liggen nog wat spullen in m'n huis. Laat me er toch door, agent. Hier, een briefje van vijftig.'
  Ik haalde het briefje uit mijn broekzak en hij deed het in zijn jaszak. 
  'Op eigen risico,' zei hij.
  Dat vond ik zo'n wonderlijke opmerking. Op wiens risico anders?
  Ik strompelde de trappen van mijn huis op. Door alle knokpartijen had ik bijna overal pijn. Ik moest opschieten. De machines kwamen er al aan met hun Jurassische kracht. 
  De ruiten van ons pand waren gesneuveld en de deuren stonden open. De wind joeg door het trappenhuis. Er was niemand meer. Ik kon zo door de woning van Bram lopen. Mevrouw de Wolf had alles uit het raam gegooid, behalve de pluchen fauteuil van de oude wolf. 
  Daar zat hij altijd in te klagen, in die fauteuil. Hij klaagde de hele dag. Dit was niet goed en dat was niet goed, en zus was niet goed en zo was niet goed. Het enige wat hem vrolijk maakte waren mooie meiden op de televisie. 
  'Ik kan net zo goed alvast levend in m'n graf gaan liggen,' zei hij altijd. En dan begon hij weer te vertellen wat hij ook al gisteren had verteld, en eergisteren, en de dag daarvoor. Maar in plaats van alvast in zijn graf te gaan liggen, zat hij in die fauteuil. De huishoudster had oordoppen in gedaan, om niet meer te hoeven horen wat hij zei.
  Die stoel, dat was zijn erfstuk. Links van hem stond zijn drankkast. Hij kon erbij zonder op te staan. Hij hoefde zijn hand maar uit te steken.
  De huishoudster moest om zijn voeten heen schrobben en boenen, want hij wilde ze niet in de lucht steken of opzij doen, dat weigerde hij. Toch zei ze altijd weer als ze eraan kwam met haar zwabber, haar emmer, haar boenwas en haar poetsdoeken: 
  'Even de voetjes in de lucht.'
  En dat deed hij dan niet. 
  Hij zei tegen de huishoudster (die haar oordoppen in had):
  'Vroeger zwom ik in de rivier die langs de stad stroomde. Ik was nergens bang voor. Als ik genoeg gezwommen had ging ik op een zandstrandje naast de rivier liggen met m'n huid in de zon. De mensen op de schepen die voorbijkwamen, zwaaiden naar me en ik zwaaide terug. Het water golfde m'n strandje op en ik liet me nat worden. Wat rook het water heerlijk. Soms nam ik een lekkere meid mee naar de rivier, dan gingen we vrijen in de felle zon. Ik kon alle meiden krijgen die ik hebben wilde. En kijk nu eens. Ik ben een oude man geworden die al z'n aantrekkingskracht verloren heeft.'

  Ik stopte al mijn boeken en Lisa's cadeaus in twee hemelsblauwe vuilniszakken en strompelde de trappen weer af.
  Ik was nog niet eens op de helft, of daar sloeg de sloopkogel tegen het pand met een klap alsof het een botsing met een andere planeet was. De hele gevel deukte in. Kalk van het plafond viel op mijn hoofd. Door de warmte en de droogte ontstonden er dikke stofwolken. Ik kon nauwelijks ademen.
  'Wacht! Wacht even! Ik ben nog in het pand!' riep ik uit het raam. Maar de sloopkogel was alweer onderweg. De kraanmachinist die toevallig op god leek, met zijn grijze baard en zijn handen van dynamiet kon hem niet meer tegenhouden.
  Ik hoorde honderden camera's klikken toen ik mijn hoofd uit het raam stak terwijl de sloopkogel op me af raasde.
  In één sprong was ik beneden, op straat. Het pand stortte in met een oorverdovend gekraak. Ik moest rennen voor mijn leven. Het scheelde niks of ik was bedolven onder het puin.
  Meteen was ik omringd door journalisten.
  'Wie ben je? Wat deed je daar? Hoe heet je?'
  De hele wereld begon zich er nu mee te bemoeien.
  Ik hield mijn lippen stijf op elkaar. Maar ze begonnen me toch te schrijven allemaal. En geloof het of niet, diezelfde avond stond mijn panische, uit het raam gestoken hoofd op alle voorpagina's van alle avondkranten. Links op de foto mijn hoofd, en rechts op de foto de op me af razende sloopkogel.

KOPSTOOT!

kopte De Telegraaf in levensgrote kapitalen. 

vrijdag 20 december 2019

Piëta met hond (31) / Een kus




PIËTA MET HOND


25


Een kus




'Geef hem maar een kus.'
  'Nee.'
  'Toe, geef hem een kus. Dat zal hij fijn vinden. Vooruit, op z'n wang.'
  Mevrouw de Wolf was overstuur, ik zag het aan haar ogen. Het was smeken en dwingen in één blik, net als altijd. Maar Bram wilde hem die kus niet geven. Hij vond het vies, ook al was het zijn vader. 
  De oude wolf was opgezwollen. Er zat haast geen leven meer in. Maar dood was hij niet. Hij reutelde nog een beetje. Er stond een machine naast hem. Die hield het reutelen gaande. Dat was dus de reutelmachine. Hij was zo bleek als een dooie vis. Ik herkende hem niet eens meer.
  Bram wilde hem geen kus geven. Maar zijn moeder hield niet op. Ze beet zich erin vast als een terriër. Die kus, dat moest en zou. Alsof haar leven ervan afhing.
  'Geef hem een kus. Toe, op z'n wang. Hij zal het fijn vinden, echt.'
  Brams overhemd zat te strak. Hij was weer gegroeid sinds de aanschaf. Het ging hard nu.
  Er waren ook anderen bij. Die anderen, die verafschuwde hij, ik zeg het maar zoals het is. Hij voelde zich niet op zijn gemak. Een oom, nog een oom, een tante, nog een tante, hun kinderen, allemaal van de partij. Die kinderen zeiden 'u' tegen hun eigen vader en moeder, de beleefheidsvorm. U dit, u dat. Het was een kwestie van eerbied, zeiden ze.
  'Omdat ze ons verwekt hebben.'
  Daar was niet tegenop te praten, zo'n onzin.
  Bijna iedereen had hem al een kus gegeven. Nu was Bram aan de beurt. Maar hij vond het vies, ik zei het al. Omdat de dood hem zowat te pakken had. Het was toch zijn reutelaar niet? Het was de hare.
  'Geef hem nou een kus.'
  Toen begonnen die ooms zich ermee te bemoeien. De een was een politieagent, een zakkenwasser van het zuiverste water. Een knappe kerel om te zien, dat wel. Hij was een echte tiran, van het soort dat grapjes maakt en kunstjes kan. Een lachebek. Een peukje dat hij tussen zijn lippen hield kon hij pakken met het puntje van zijn tong en heel lang binnen in zijn mond houden, brandend en wel, tot er rook uit zijn oren kwam. Hij deed het vaak, bij wijze van lolletje. Een lolletje met zijn tongetje. Hij dacht dat Bram het interessant vond. 
  De andere oom was een officier in het leger. De oorlog had hem geknakt, letterlijk en figuurlijk. Er zat geen levenslust meer in. Dat had de oorlog hem afgeleerd, eens en voor al. Bram vervloekte het hele stel dat daar zat, behalve zijn moeder.
  En daarom gaf hij zijn vader tenslotte een kus. Hij gaf hem een kus op zijn wang met het uiterste puntje van zijn lippen. Het vel was zacht, als fluweel. Maar de haartjes erop waren hard. Hij veegde zijn lippen af met de rug van zijn hand. Ook de binnenkant van zijn lippen veegde hij af. En ook zijn tong. Misschien was het besmettelijk, de dood.
  Hij had het voor zijn moeder gedaan, die kus. Hij zag wel dat ze veel verdriet had.
  En toen blies de oude wolf zijn laatste adem uit. Een zucht en afgelopen was het, voorbij. Nu hoefde hij nooit meer te roepen:
  'Ik ga dood!'
  Nu was hij het. 
  Verpleegsters holden op hem toe. Ze begonnen hem te wassen, snel, een laatste keer. Hup, op zijn zij. Op zijn andere zij. Naalden werden uit hem getrokken, pleisters werden van hem afgerukt. De reutelmachine werd in vliegende vaart de kamer uitgereden. Het ding was ergens anders nodig. We kregen er een priester voor terug.
  Daar lag hij dan, de oude wolf. Zo dood als wat. Het werd stil.
  'Hij moet nog wat zeggen,' zei mevrouw de Wolf steeds. Het was het verdriet. Ze kon er niet mee ophouden.
  'Hij moet nog wat zeggen.'
  En dat was het einde van een tijdperk.
  
Mevrouw de Wolf deed een opgerolde handdoek onder zijn kin.
  'Een dode met open mond, dat is geen mooie dode,' zei ze. Daarna gaf ze hem een kus. Het was de eerste kus die ze hem gaf sinds vele jaren.
  Hij werd nog dezelfde dag begraven.
  Ze maakte hem mooi voordat hij de kist in ging. Ze zocht de broek uit die hij aan moest, het overhemd, de jas. Ze deed hem een paar nieuwe sokken aan, want er zaten gaten in zijn sokken. Zijn twee grote tenen staken er doorheen als twee idioten. Ze trok hem zijn mooist schoenen aan, kamde zijn haar en waste zijn gezicht.
  Ze praatte honderduit tegen hem. En ze kuste hem een paar keer met alle tederheid die in haar was, op zijn voorhoofd, op zijn wangen.
  Toen ze klaar was zei ze:
  'Zo jongen, dat was het.'
  Meer zei ze niet en mooier zei ze het ook niet.
  Ze vroeg of ik een praatje wilde houden op de begrafenis.

Piëta met hond (30) / Wodka




PIËTA MET HOND


24


Wodka





Er kwam een man het verlichte terrein van het pompstation op wankelen. Af en toe viel hij bijna voorover of opzij, maar telkens wist hij net op tijd zijn evenwicht te hervinden. 
  'Kijk eens wie we daar hebben,' zei mijn nieuwe collega. Schijnbaar kwam die man wel vaker langs.
  Eerst moesten we lachen, maar toen zag ik wie het was. Het was de oude wolf. Als er geen drank meer in huis was, dan ging hij nog wat proberen te kopen in het pompstation. De snelweg waar het pompstation aan lag liep praktisch door onze buurt.  
  Hij was zo dronken. 
  'Collega, stoppen met lachen.'
  Ik liep naar de oude wolf toe. 
  Hij herkende me niet eens, zoveel had hij gedronken. Hij wilde wodka.
  'Wodka!' riep hij.
  Net iemand in de woestijn die riep:
  'Water!'
  Het pompstation verkocht geen wodka. Alleen bier, wijn, frisdranken en benzine. 
  Ik probeerde de oude wolf overeind te houden. Hij leunde zwaar tegen me aan. Ik deed zijn haren goed met mijn hand.
  Toen zakte hij door zijn knieën en hij viel op de grond.
  'Collega, kom helpen.'
  Ik probeerde hem weer overeind te krijgen. Hij was zo zwaar. 
  Zo zwaar als een sloopkogel.
  'Meneer de Wolf!'
  Zo zwaar als een stad.
  'Meneer de Wolf, alstublieft!'
  Zo zwaar als een planeet.
  Hij lag op de grond, op het asfalt. Hij trok zijn benen op en viel in slaap. Hij lag erbij als een kind in de wieg. 
We pakten hem bij zijn oksels en voeten en droegen hem naar binnen. Hij boog door in het midden. Zijn gat schuurde over de grond.
  'Waar moeten we hem laten?' vroeg mijn collega.
  Het pompstation was maar een klein hokje. Er zat niets anders op dan de oude wolf achter de toonbank neer te leggen.
  'Is hij dood?' vroeg mijn collega.
  'Nee hoor, hij ademt. Meneer de Wolf, u doet toch niet net alsof?'
  'Ik ga dood,' zei hij met dubbele tong. Dat zei hij altijd, dus dat was geruststellend.
  'We moeten hem op een stoel zetten, collega,' zei ik. 'Het is niet goed om te liggen als je zo dronken bent, dan kun je stikken in je emesis. We moeten ook z'n colbert uittrekken en z'n stropdas losmaken.'
  Terwijl we daarmee bezig waren kwam er een klant binnen met een bivakmuts op. 
  Ik glimlachte naar hem. Dat was mijn sterke kant.
  'Handen omhoog!' zei hij. 
  Ik herkende die stem. Het was de stem van de overdreven gespierde, van de overdreven getatoeëerde, wiens portemonnee Bram en ik hadden gevonden.
  'Handen omhoog!'
  Ik deed ze omhoog, alletwee.
  'En nou met één hand de kassa openmaken.'
  'Ik zou niet weten hoe dat moet,' zei ik, 'ik werk hier vandaag voor het eerst, ik werk hier nog geen uur.'
  Hij drukte de loop van zijn revolver tegen mijn voorhoofd. Ik werd er niet koud of warm van, eerlijk gezegd. Ik had een beetje met hem te doen.
  'Openmaken of ik schiet je kop eraf.'
  'Collega,' zei ik met mijn ene hand omhoog, 'deze meneer hier wil graag dat ik de kassa openmaak. Ik denk dat hij het geld wil hebben dat erin zit.'
  'Dat heb je goed geraden, Eikelenstein,' zei de overvaller.
  'Collega,' vroeg ik, 'waar zit de knop voor het openmaken van de kassa?'
  'Er is geen knop,' zei hij.
  'Ga nou niet de held uithangen,' zei ik, 'het is maar geld. Natuurlijk is er een knop. Elke kassa heeft zo'n knop.'
  'Deze niet,' zei hij. 
  'Maar meneer wil z'n geld, knop of geen knop.'
  Ik glimlachte naar de overvallen. Hij knipoogde terug. Herkende hij me? Of mocht hij me gewoon wel op het eerste gezicht?
  De oude wolf kreunde. Hij ging niet goed met hem. Hij liep paars aan. We moesten de ambulance bellen.
  'Een ogenblikje,' zei ik tegen de overvaller. 
  En tegen de oude wolf: 
  'Hou vol. Eerst even deze meneer helpen, dan bellen we de ambulance.'
  Mijn heldhaftige collega probeerde op de alarmknop onder de toonbank te drukken. De overvaller schoot hem neer. Hij bloedde hevig. Het bloed liep keurig door de voegen tussen de vierkante vloertegels, waardoor er langzaam een ruitpatroon van kaarsrechte rode lijnen ontstond. Mijn collega werd geometrisch.
  Ik sloeg keihard met mijn vuist op de kassa en hij sprong open. Ik gaf de overvaller al het papiergeld. Het was niet zo veel als er in zijn portemonnee had gezeten toen Bram en ik die vonden. Maar nu had hij weer wat geld en zo zie je maar hoe het kwade het goede kan baren. 
  De munten gaf ik hem niet. Ik dacht dat het niet handig was voor een overvaller, al die rammelende munten.
  'De munten ook!' zei hij.
  Ik gaf ze hem, handen vol, maar hij gaf ze terug, zeggende: 
  'Die zijn voor jou.'
  En weg stoof hij, de warme, donkere avond in.
  Er kwamen twee ambulances, een voor de oude wolf en een voor mijn collega. 
  Ik haalde met water en een zwabber al het bloed weg en werkte tot de volgende ochtend. Er kwamen nog een paar overvallers, maar ik zei dat ze te laat waren. 
  'Pech,' zeiden ze.
  Precies om vijf uur in de ochtend werd ik door de baas van het pompstation op staande voet ontslagen, vanwege het kasverschil. 
  'Daar kan ik toch niks aan doen?' zei ik.
  'Dat maakt geen donder uit,' zei hij.
  Zo ging het er dus aan toe op de arbeidsmarkt. Als dank gaf ik hem een soejang op zijn kaak.⁹ Hij tolde door de zaak. In zijn val nam hij van alles mee wat op de schappen stond blikken olie, pakjes chocomel, zakken chips, belegde broodjes, marsen, flessen wijn, bossen bloemen, en noem maar op. Tenslotte viel hij languit op de grond, op zijn rug, zijn armen en benen wijd. Het was mijn eerste knockout.
  Ik ging meteen door naar het ziekenhuis, naar de oude wolf, om te kijken of hij het overleefd had allemaal.

⁸ Emesis is de wetenschappelijke term voor braaksel; het is tevens de wetenschappelijke naam van een geslacht van vlinders uit de familie van de prachtvlinders (riodinidae).
Vroeger ook wel, heel mooi, kakement genoemd.