woensdag 20 november 2019

Piëta met hond (9) / Het geschreven woord




PIËTA MET HOND


8


Het geschreven woord




 De meeuwen tikten met hun snavels tegen de ramen. Het was hun etenstijd. Ze kwamen elke dag, een hele zwerm. Ik gaf ze brood. Ze aten uit m'n hand.
  'Jullie krijgen zo,' zei ik. En tegen de deurwaarder:
  'Het spijt me dat ik even weg moest.'
  De deurwaarder legde formulieren voor zich op tafel. Hij pakte een vulpen uit z'n binnenzak, draaide de dop eraf met enig ceremonieel, en begon te schrijven. Hij hield z'n jas aan. Hij had ongelofelijk schone handen.
  'Wilt u koffie?' vroeg ik. Ik had gehoord dat je voor deurwaarders altijd aardig en beleefd moest zijn.
  'Nou graag,' zei hij.
  'Of is het soms uw zoveelste kop koffie van vandaag en wilt u misschien liever thee?'
  'Graag.'
  Hij was er duidelijk niet bij met z'n hoofd. Hij was aan het schrijven. Ondertussen keek hij rond of hij ook spullen van waarde zag, terwijl Dadias d'Arbrisseau blafte tegen de meeuwen. Wat ging hij tekeer! Het leek wel of hij er God weet wat voor een salaris voor ontving, om met de schrijver Nikolai Gogol te spreken.
  'Wat wilt u nu het liefst? Thee of koffie?'
  'Meneer, het maakt me echt niet uit, ik vind allebei lekker, ik heb in allebei wel zin.'
  'Koekje erbij?' Ik had gehoord dat deurwaarders koekjes erg lekker vinden. 
  Dadias d'Arbrisseau hield even op met blaffen en spitste z'n oren. Hij was ook dol op koekjes.
  'Graag,' zei de deurwaarder.
  Ik liep naar de keuken om koffie en thee te zetten en koekjes te pakken, maar alles was op. Ik had alleen nog slivovitsj.
  'Wilt u een glas slivovitsj?' riep ik vanuit de keuken.
  'Graag.'
  Nu wilde hij weer graag die slivovitsj.
  'Mag ik ook een glas?' vroeg de agent. Ik was hem helemaal vergeten. Hij zat stil in een hoek van de kamer in m'n geschiedenisboeken te bladeren. De koevoet stond rechtop tussen z'n benen.
  Ik gaf ze allebei een glas.
  'Nou, proost, op de beslaglegging,' zei ik terwijl ik slivovitsj in de glazen schonk.
  'Op de beslaglegging,' zeiden de deurwaarder en de agent.
  Ik zette muziek op en we gingen door m'n huis lopen om de inventaris op te maken.
  Lisa was bezig haar koffers uit te pakken. Marianne was zich achter een kamerscherm aan het aankleden.
  De deurwaarder schreef alles op wat hij zag, behalve m'n bed, m'n stoel, m'n tafel en dingen waarvan hij dacht: dat is niks waard.
  Doordat hij al die spullen opschreef, door de macht van het geschreven woord, waren ze nu niet meer van mij maar van hem. Ik had gelezen dat het in sommige beschavingen verboden was om de naam op te schrijven van spullen van iemand anders. Het werd als diefstal beschouwd. Als je het toch deed, werd de hand waarmee je het had opgeschreven eraf gehakt, precies als de hand van een dief. Ook het fotograferen van iemand anders werd als diefstal beschouwd. Diefstal van de ziel, wel te verstaan.
  'U moet morgenochtend het verschuldigde bedrag komen betalen bij mij op kantoor,' zei de deurwaarder toen hij klaar was met de inventarisatie, 'plus de kosten van dit bezoek. Als u het niet doet, plak ik een plakkaat op de gevel van dit pand met de mededeling dat er op uw adres een openbare executieverkoop zal plaatsvinden. Ook zal ik een advertentie plaatsen in de kranten. Dat kost u allemaal extra geld, dus u kunt maar beter betalen.'
  'Maar over een paar dagen bestaat dit pand niet meer,' zei ik, 'dan is het gesloopt, dan wordt het een openbare executieverkoop van lucht.'
  'Maakt niks uit,' zei hij.
  Dat was nou de heerschappij van het bureau.
  Toen stopte hij de formulieren in z'n leren tas, zette z'n hoed op en vertrok.
  'Nog bedankt voor de slivovitsj,' zei hij.
  'Ja, nog bedankt,' zei de agent, die achter hem aan liep.
  Op de televisie was een man met slecht zaad te zien. Daar had ik gelukkig geen last van. Bij mij zag je de spermatozoïden als dolfijnen uit het sap omhoog springen. Ik kon er een heel mini-dolfinarium mee beginnen, een heel spermatozoïdentheater.

  'Ik ga ook,' zei Marianne.
  Ik liep met haar naar beneden, de trap af. Ik begeleidde haar naar de deur, zoals ik altijd deed met vertrekkende gasten. De deurwaarder en de agent waren geen gasten, maar indringers, dus die had ik niet begeleid.
  Het was druk in het trappenhuis. De bewoners waren al bezig met de grote uittocht. Een heel interieur liep de trap af. Voorop een tafel, daarachter vier stoelen en daar weer achter een schemerlamp.
  'Marianne?'
  'Ja?'
  'Heb jij een man?'
  'Ja.'
  Ik zei niks. Geen woord. Dat had ik in Café Höhenwahn beloofd.
  Het steentje dat om haar hals hing fonkelde.
  'Wat is dat eigenlijk voor een steentje?' vroeg ik.
  Ze haalde het tevoorschijn.
  'Het is een robijn,' zei ze. 'Robijnen komen uit de grond, net als goud. Sommige zijn zo kostbaar als diamant. Je kunt ze ook synthetisch vervaardigen. Door het strooien van zuiver aluminiumoxidepoeder op de kop van een vuurvast staafje, geplaatst onder het warmste gedeelte van een naar beneden gerichte knalgasvlam, groeit er een peervormig kristal van korund. Als je chroomoxide aan het poeder toevoegt, krijgt het kristal vanzelf de rode kleur van robijn.'
  'Dus jij kunt zelf symbolen van de liefde maken?'
  'Ja, dat kan ik.'
  'Zulke mensen ontmoet ik niet iedere dag,' zei ik.
  Weer die schaterlach, die mengeling van goedheid en slechtheid. Als iedereen zo was als Marianne, dan was de wereld niet zo door de ratten aangevreten als nu het geval is
  Toen kwam de oude Wolf de trap af stormen.
  'Ik ga dood!' riep hij.
  Het kwam door de drank. Hij was een liefhebber van wodka. Maar al bij de eerste slok wodka, het eerste onschuldige vissenhapje met de lippen, begon het te waaien in z'n kop. De dood was een obsessie voor 'm. Hij dacht aan niks anders (vandaar de practical jokes). Hij stormde naar buiten, de straat op, en balde z'n vuist tegen een grote sloopmachine.
  Marianne nam afscheid.
  'Kom je morgenavond bij me?' vroeg ze. Ze gaf me een kus en haar adres.
  'Misschien,' zei ik. Ik vond het ingewikkeld.
  Ik had geen agenda, dus ik moest het in m'n hoofd prenten, op m'n hand of op een los papiertje schrijven.

  'Wie was die stomme troela?' vroeg Lisa toen ik weer boven was. En ze voegde er in één adem aan toe: 'Als je het niet zegt ga ik weg.'
  'Het is de vriendin van m'n vader. Dus je hoeft er niks achter te zoeken.'
  'Je vader? Ik dacht dat je die al meer dan tien jaar niet had gezien?'
  'Dat klopt,' zei ik, 'en dat is precies de oorzaak dat ze hier was. De wereld is klein. Maar wil je me even krabben, op m'n rug, ik heb daar zo'n kriebel en ik kan er net niet bij.'
  'Zometeen,' zei Lisa. 'En wat is het hier een troep. En wat doet die hond hier? En die meeuwen?'
  'Ik ben alles aan het opruimen,' zei ik, 'daarom is het hier zo'n troep. De hond is van m'n zus, ik pas op hem. De meeuwen ga ik nu broodkruimels voeren. Doe je mee?'
  Ik deed de balkondeuren open en samen voerden Lisa en ik de meeuwen.

  Het werd al m'n zoveelste verhuizing. Het verhuizen zat me in het bloed.
  Een oom van me, een broer van m'n vader, was verhuizer van beroep. Hij kon in z'n eentje de schuur in de tuin van z'n ouders optillen, zo sterk was hij. Soms wandelde de schuur op twee voeten door de tuin als de hut van Baba-Yaga. De eerste keer dat dit gebeurde was iedereen zeer onder de indruk, maar op het laatst liep de schuur door de tuin zonder dat iemand er nog op lette. Hij was een typische optiller van zware dingen, mijn oom, en daarom kwam het voor niemand als een verrassing dat hij op een dag de volgende woorden sprak:
  'Vader, moeder, ik word verhuizer.'
  Dat was bepaald geen onverstandig besluit voor een sterke jongen zoals hij, en daarom zeiden z'n vader en moeder: 'Jongen, je gaat je gang maar.' Dat klonk niet enthousiast, hoewel het wel zo bedoeld was. Maar dit terzijde.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten