zaterdag 16 november 2019

Piëta met hond (5) / Rennen




PIËTA MET HOND


4


Rennen





Roef was al aan het janken toen ik eraan kwam.
  'Rustig maar Roef.'
  Hij sprong tegen me op. Hij was blij dat ik er was.
  Hij heette eigenlijk Dadias d' Arbrisseau. Hij was een rashond. Een Petit Basset Griffon Vendéen. Z'n vader heette Cacao des Rives de la Garonne. Z'n moeder heette Vedette des Barbus d'entre Lac. Het was een deftig beest. Over z'n voorouders zal ik het maar niet eens hebben. 't Was de allerhoogste adel.
  Hij had het hele grachtenpand van m'n zus ondergescheten. Hij had 't met zoveel kracht uit z'n gat geschoten dat het tegen het plafond zat. Zodra hij alleen was begon hij te janken en uit alle macht, nou ja, te schijten. Hij kon niet alleen zijn. Ik mocht 'm graag.
  Ik sloeg m'n armen om hem heen en drukte hem stevig tegen me aan. Dat vond hij fijn. Hij beefde van voor naar achter. Hij was nat van het zweet van de paniek. Ik aaide hem.
  'Rustig maar, braaf beest. Toe maar. Ik ruim alles wel op. Ik zal je nooit meer alleen laten. Ik zal je overal mee naar toe nemen. Dat beloof ik. En weet je wat? Ik noem je voortaan Dadias d' Arbrisseau, want zo heet je, en het klinkt veel beter dan Roef.'
  Na het eteneen schrokkengespte ik z'n riem om en we gingen de straat op. Hij blafte van vreugde. Z'n flaporen gingen op en neer van enthousiasme. En overal ging hij even snuffelen. Hij snoof de geurtjes op tot diep in z'n binnenste. O, tot in z'n tenen. En daarna, als hij er een hele tijd aan geroken had, aan zo'n geurtje, dan ging hij eens rustig zitten nadenken, god mag weten waarover. Hij had een enorme neus. De neus van een jachthond.  
  Eindelijk had hij een goeie plek gevonden om z'n behoefte te doen, zoals dat heet.
  'Nee, Dadias d' Arbrisseau, niet hier,' zei ik, 'niet uitgerekend hier.' 
  Maar het was al te laat. Hij zat er helemaal klaar voor. We stonden precies voor de deftigste schoenenwinkel van de stad, met in de etalage de allermooiste schoenen die ik ooit gezien had, namelijk een paar Grensons.
  Meteen kwam er een schoenverkoper naar buiten lopen met een schep, een plastic zakje, een borstel en een emmer water. Hij gaf de spullen aan mij en zei:
  'Als je hond precies hier voor de deur van onze schoenenwinkel z'n behoefte wil doen, prima, daar heb ik geen problemen mee. Hier heb je wat spullen, en ruim het maar op zodra je hond klaar is.' 
  Ik schaamde me dood. Hij praatte zo hard dat alle voorbijgangers het konden horen. Er vormde zich een klein groepje omstanders. Het viel me nog mee dat ik geen tandenborstel kreeg om de stoep mee schoon te boenen op m'n knieën, want het was bekend dat die zeer deftige schoenenwinkel in de oorlog laarzen en leren jassen had gemaakt voor bepaalde mensen. Maar op een dag moet je ophouden daarover te zeuren en dus zei ik er niets over. Het gaf me wel het recht, vond ik, om die spullen niet aan te pakken.
  'Vertel me liever,' zei ik tegen de schoenverkoper, 'hoe duur die Grensons daar zijn, want die wil ik kopen.' 
  Dadias d' Arbrisseau was klaar en zat alweer aan het achterste van een andere hond te ruiken. Hij stak z'n neus er zowat helemaal in. Hij kwispelde zo hevig dat hij bijna z'n evenwicht verloor. Toen deed die andere hond ook z'n behoefte voor de deur van de schoenenwinkel.
  Het begon nu werkelijk een smerige bende te worden. Ik voelde me schuldig. 
  'Godverdomme!' schreeuwde de schoenverkoper. Hij was per ongeluk midden in de uitwerpselen gaan staan.
  'U bent er middenin gaan staan,' zei ik tegen hem, 'nu zit het onder uw schoen. Nu wilt u zeker dat ik het eraf schrob met een tandenborstel. Het lijkt me precies iets voor u om zoiets te willen.' 
  Had ik het toch gezegd. 
  Hij werd vuurrood van kwaadheid. Hij wou me een dreun verkopen. Hij wou me in elkaar slaan, ja, tot moes slaan. Ik kon nog net op tijd opzij springen en het op een lopen zetten.
  'Rennen!' riep ik tegen Dadias d' Arbrisseau. En daar gingen we. In volle vaart. Dwars door de stad. Door de smalle steegjes. Over de grachten. Dadias d' Arbrisseau vond het heerlijk. Z'n flaporen dansten om z'n kop. Ik vond het ook heerlijk. De vliegende vaart had ons te pakken. We waren als bladeren in de storm. We renden de Blauwbrug over. Langs het Amstelhotel. De Wibautstraat in. De gribus van Oost in. We vluchtten voor iedereen uit. Voor de hele wereldgeschiedenis uit. Voor alle rampen uit. Voor god uit. Voor de schoenverkoper uit. Ze probeerden ons allemaal te pakken te krijgen. Een heel stel vijanden. Maar wij waren sneller. Wij waren de omgekeerde Don Quichot en Sancho Panza.
  Het was midden in de zomer. Er gebeurde niks. Het was stil en leeg en warm.
  'Rennen, Dadias, rennen!' 
  En zo kwamen we aan bij m'n huis, nadat we eerst nog een paar boodschappen hadden gedaan. Ik had geen ontbijt of lunch gekocht zoals ik van plan was. Ik had ijsjes gekocht, dure ijsjes, omdat het zo warm was. Twee voor een tientje. Ze begonnen al te smelten.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten