Posts tonen met het label Eeuwige Bouillon de roman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Eeuwige Bouillon de roman. Alle posts tonen

donderdag 6 juni 2019

Uw buik zit u in de weg, meneer Peterson

Ponte Vecchio
2016 – De weegschaal gaf negentig kilo aan.

"Door het stoppen met roken bent u in korte tijd vijftien kilo aangekomen," verklaarde de dokter de gewichtstoename. "Uw spieren en gewrichten zijn op zoveel extra kilo's niet berekend, vandaar de pijnlijke knie en het gekreun en gesteun bij het aantrekken van uw schoenen. Uw buik zit u in de weg, meneer Peterson, u moet afvallen. Maar vergeet niet, u wordt ook een dagje ouder."

Wat had ik een hekel aan die uitdrukking.

De pijn in m'n linkerknie kwam, zo bleek bij nader onderzoek, door een verrekking van het mediale collaterale ligament, oftewel m'n binnenste knieband. Ik wist niet dat ik die had (alle kennis komt voort uit onze onvolmaaktheid).

Naar huis strompelend kreeg ik ook pijn aan m'n rechterknie, hoewel daar niks mee aan de hand was; een soort fantoompijn, louter afgedwongen door symmetrie.

Onderweg klonk uit een open raam een pianoconcert dat ik van vroeger kende. Soeplepels vol gevoel, zoals iemand eens spottend had geschreven, maar toch: wat een schitterend, donderend, panoramisch meesterwerk! Ik bleef even staan en begreep ineens waarom ik vroeger naar zulke muziek luisterde. Het verbreedde, verhoogde, verdiepte m'n wezen. Zulke muziek groef
als met shovels een innerlijke ruimte uit. Ik werd opener, groter, lichter, ruimer van binnen door die muziek.
Als je de weg terug wilt vinden, als je een goeie TomTom voor je verleden zoekt
neem dan muziek. De muziek wijst je de weg en zal je precies door de juiste straten, steegjes, paden en olifantenpaadjes leiden.
Turn left. Turn right.

Tot je terug bent.

1977"Zullen we naar Italië gaan?" vroeg W.
Vanaf het stationnetje in N. ging het met de nachttrein richting het Zuiden. We zetten de tent op in de heuvels rond Florence, met uitzicht op de Ponte Vecchio. Het was heerlijk weer en het rook lekker in de heuvels. We gingen naar de kust in een boemeltreintje en zwommen in zee.
"Ik zie geen vissen," zei ik.
"Het zijn onzichtbare vissen," zei W.
Af en toe schreef hij, liggend in de tent, een zinnetje in een schrift.
Waar kwamen die zinnetjesdie hij leek te koesterenvandaan? Waarom drongen ze zich zo aan hem op en bleven ze zo hardnekkig bij hem? En waarom groepeerden ze zich als vanzelf in bepaalde verbanden, formaties, configuraties? Hij wist niet goed wat hij moest met die elkaar zoekende, zichzelf ordenende zinnetjes, behalve ze opschrijven en bewaren in z'n schrift.
We hadden elkaar een paar maanden eerder ontmoet door een fietsbotsing op de BD-weg. Terwijl we het zand, het stof en het vuil van onze kleding afklopten en probeerden het voorwiel van W.'s fiets recht te buigen, werden we vrienden. Zo makkelijk gaat het soms. Bij mij thuis plakten we pleisters op onze bebloede ellebogen.

W. was een welkome nieuwe gast, een prater. Anekdotes, roddels, liederen, theorieën, geschiedenissen, tiradesalles nam hij mee.
"Begin maar alvast met praten, W., we komen er zo aan."
We kenden elkaar amper een week toen we, na een korte periode van bietsen, onze eerste pakjes sigaretten kochten. Thuis durfden we nog niet te roken, dus zwierven we hele middagen door de binnenstad van Z. Het was fijn om daar rond te hangen. Het leek wel een Italiaans dorp. Er waren pleintjes, trappetjes, oude kerken, middeleeuwse poorten, smalle steegjes, stijgend en dalend.
We hoefden niet zo nodig vrij te zijn. Simpelweg er zijn vonden we al mooi genoeg.
W. werd verliefd op al mijn zussen. Niet op allemaal tegelijk natuurlijk. Een voor een. Hij genoot er van door mijn zussen gekend, gezien, geroepen te worden.
"W., wil je me even naar de stad brengen?"
O, natuurlijk wilde hij dat. Hij wilde haar wel naar het einde van de wereld brengen achterop z'n fietshaar handen om z'n middel, wat hem het gevoel gaf alleen nog maar te bestaan uit de gloeiende plekken waar de handen zijn lichaam raakten.
Hij was opgegroeid, beweerde hij, in een mannenwereld en dus moest hij erg wennen aan een huis vol vrouwen. Maar toen hij er eenmaal aan gewend was vond hij het prettig. Het ontspande hem, maakte hem als het ware langzaam maar zeker geschikt voor de liefde, zoals een kippetje na een nacht in de marinade zacht en mals en smakelijk is geworden en geschikt voor de oven.

Een handdoek als een tulband om haar hoofd, een badjas losjes om haar lichaam geslagen, blote voeten, nog nat, op de houten vloer: m'n zusje Q.
Overal waar ze geweest was stonden potjes open, gloeiden apparaten na, lagen opengescheurde verpakkingen van kaas, van vlees, van zeep, van maandverband. Half uitgeperste sinaasappels, gebruikte handdoeken, bananenschillen, boterhammen met een hap eruit, slipjes, bh's, truien, broeken, rokjes, laarzen, gympies, elastiekjes.
Kielzog van een pubermeisje.
W. was, naar eigen zeggen, in een andere wereld beland, waar volgen hem geen preutsheid heerste, "lichamelijk noch geestelijk", omdat niemand zich schaamde voor zichzelf. En waarom zouden ze zich ook schamen? Waarom zouden ze ook preuts zijn?
"W.!" riep Q. vanuit de badkamer. 
"Ja?"
"Wil je me de handdoek even aangeven, hij ligt op de verwarming in de gang."
W. dronk het gulzig in, dit nieuwe leven. Het liep hem langs de mond, over de kin, in z'n hemd.
En de moeder, wat was die vurig! Gitzwart haar, prachtig opgemaakt, behangen met fijne, fijnzinnige sieraden. Felblauwe ogen, het lichaam van een meisje van zestien, een soepele, lichte, beheerste tred. Als hij dat eens vergeleek met zijn eigen moeder.
Maar de vader had hij nog nooit gezien. Waar was die eigenlijk?

1979Het moet W. goed gedaan hebben dat m'n vader meteen al bij hun eerste ontmoeting te A., ongeveer een jaar later, een belezen man bleek te zijn. Het waren meestal nogal breekbare, nette en voorzichtige types, de belezenen.
"Jouw vader niet," zei W.  
Inderdaad. Hij was onmiskenbaar een macho. Een man die auto's repareerde, die 's avonds z'n eeltige, vierkante handen, zwart van de olie, invette met vaseline; een man die dronk als een zeeman, die met lekkere meiden thuiskwam uit de kroeg, meiden waar W. en ik alleen maar van konden dromen.
"En die een liefhebber is van boeken!" riep W. De hele weg glimlachend fietste hij die avond terug naar zijn zolderkamer. Wat een kerel! Hoe kon het ook anders? Hoe had hij niet kunnen zijn zoals hij was, met zulke dochters en zo'n vurige ex.
Ach, hoe alles verkeerde.
Binnenshuis was m'n moeder misschien vurig te noemen, buiten was dat allerminst het geval. Ze had een schichtige manier van buiten-zijn, van op-straat-zijn, in-de-stad zijn. Ze keek voortdurend om zich heen, registreerde alles wat er in de omgeving gebeurde. Ze bleef nooit lang op dezelfde plek. Ze meed gezelschappen waarvan ze de precieze samenstelling niet kende. Ze was altijd tot het uiterste alert, gespannen. Ze wilde geen naamplaatje op haar deur en nam de telefoon op met de naam van haar ex, mijn vader. Nooit met haar eigen naam. Ze vervloekte hem, maar op het belangrijke vlak van de nomenclatuur had hij haar blijvend uit de brand geholpen en daarom vervloekte ze hem met mate.

2016Nu nog steeds, bijna vijftig jaar na hun scheiding en bijna dertig jaar na zijn dood, nam ze de telefoon op met zijn naam.
"Met mevrouw Peterson."
Ze mocht hem wel dankbaar zijn dat hij zijn naam zo liefdevol in oneindig bruikleen had gegeven.
En dat was ze ook. Zij het niet openlijk.

[Wordt vervolgd]

Uit: Peter Bekkers, Eeuwige Bouillon  (de roman). Uitgeverij Opera Non Scripta, d.d. in 't jaar blok als de uilen kraaien en de koeien met patijnen gaan. 

donderdag 7 maart 2019

In 1970 vocht ik met de zoon van de boekhouder

De engel met het gouden haar, 13de eeuw
1970
Van binnen voelt het leven uitgestrekt en langdurig als een wereld-rijk.
En zoals wereldrijken, zo kennen ook levens hun hoogtijdagen. Dagen van maximale spanning, schoonheid, vitaliteit, vrolijkheid, diepzinnig-heid, verspilling, zorgeloosheid, kracht, uitzicht. Alles daarvoor is prelude, voorbereiding, oprit. Alles daarna is epiloog, ontspanning, afrit. En tussen oprit en afrit: de brug, gespannen over de afgrond, trillend, bevend, zingend, oersterk, alles op het spel zettend.
Jongens worden almachtig geboren, in het centrum van de aandacht, in het hart van de wereld, overtuigd van hun lichamelijke en geestelijke onverslaanbaarheid. Langzaam maar zeker wordt hun die illusie ontnomen, bijvoorbeeld door verloren vechtpartijen op straat.

In de lente van 1970 vocht ik met de zoon van de boekhouder die tegenover me in de straat woonde. Ik had zijn kracht onderschat. Hij was oersterk en hield me met z'n benen in een houdgreep. Ik moest smeken om losgelaten te worden.
"Geef toe dat ik sterker ben dan jij," zei hij.
Ik zweeg. Dat nooit.
De houdgreep werd knellender. Ik stikte nu bijna.
"Geef het toe."
Het ging bergafwaarts met m'n almacht, maar op rolschaatsen was ik voorlopig nog de snelste. De rolschaatsen met de ijzerbeslagen wieltjes, die elke ondergrond haarfijn registreerden en doortrilden naar m'n lichaam. Het heerlijke stille zweven op het gladde asfalt, het ritmische getikketik op de trottoirs waardoor m'n hele wezen iets regelmatigs kreeg. Het bochtenwerk had ik afgekeken van Ard Schenk: de linkerarm op de rug, de rechterarm vrij zwaaiend. Ard Schenk was het mooist bewegende wezen dat ik ooit gezien had. Hoe hij bewoog deed me denken aan een dier. Een groot, sterk, verdrietig, soepel, gevangen dier.

1973 - Hoe kon je weten of je echt verliefd was? Nou, bijvoorbeeld door haar naam op te schrijven. Als er een golf van warmte door je heen ging terwijl je haar naam schreef; als het schrijven van de letters van haar naam voelde als het losmaken van de knoopjes van haar blouse, dan was je echt verliefd. Op een dag vroeg I.'s beste vriendin:
"Hebben jullie wat met elkaar?"
Alleen al door dat jullie voelde ik me met I. verbonden op een manier die me zowat deed wankelen van opwinding. Jullie! In de taal waren we al samen.
Jawel, ik was wat ze noemden een dromer, een fantast. In die tijd, lang voor de komst van het internet, moest je wel een dromer en een fantast zijn om niet door de realiteit verpletterd te worden. Dus voelde ik me al rijk als iemand maar dácht dat ik rijk was, begeerd als iemand maar dácht dat ik begeerd werd. Dan hoefde het in het echt al niet meer zo. In feite was ik geschapen voor de virtuele wereld, de tweede, parallelle wereld die decennia later zou losbarsten. Ik was geschapen voor het fictieve leven, voor de fictie.
I. woonde drie huizen verderop. Meestal ging ik naar haar toe, maar soms kwam ze naar mij. Niemand was ooit op die onhoudbare, onstuitbare manier van de liefde naar me toegekomen. De eerste keer dat dit gebeurde stond m'n hart stil: "Ze komt voor mij."
O, de warmte en de geur van haar lichaam, haar borsten die ik mocht aanraken wanneer ik er maar zin in had, haar zachte buik met het verzonken knoopje van haar navel (umbilicus mundi).
Eén van de wonderen van de liefde is dat je heel dichtbij iemand mag komen. Het aanraakterritorium, het vrij aanraakbaar huidoppervlak wordt in één klap zowat verdubbeld. De liefde is een uitbreiding van het je bij geboorte toegemeten quantum vlees en bloed: je krijgt er een lichaam bij.

Parfum, oogschaduw, eyeliner, mascara, rouge, deodorant, gezichtsmasker, shampoo, conditioner, scheerschuim, lipliner, lippenstift, nagellak, nagelakremover, dagcrème, nachtcrème, borstels, kwastjes, kammen, watten, staafjes, stokjes, schijfjes, spateltjes, pincetten, schaartjes, scheermesjes, nagelvijl, wimperkruller, krultang, föhn, scheerapparaat.

I. had meer opmaakspullen dan m'n moeder en al m'n zussen bij elkaar. Elke ochtend stond ze een uur voor de spiegel; op zaterdagochtenden wel twee uur. Als laatste maakte ze altijd haar grote donkere ogen op met zwarte en gouden oogschaduw. Haar ogen werden daardoor nog mooier, groter en donkerder dan ze al waren, ongeveer zoals de ogen van De engel met het gouden haar, een Russisch icoon dat bij haar thuis aan de muur hing.
Gods hand had dat icoon geschilderd, beweerde haar moeder.
Zo ongeveer dacht ik ook over I., al was ik niet gelovig. Gods hand had haar geschilderd.

(Uit: Peter Bekkers, Eeuwige bouillon, Uitgeverij Opera Non Scripta, d.d. in de zomer van de koekoek)

donderdag 21 februari 2019

En in het midden de magische rust van het mini-woud

Mini-woud (het hart van de stad)
1984
Het was nog vroeg in de ochtend en het begon alweer warm te worden. We waren tot laat uit geweest. De ramen en deuren stonden open, de lichtblauwe gordijnen deinden zachtjes in de bijna-windstilte, we hadden een kater. Van buiten kwam de zoete geur van de opwarmende stad.
Nineteen eighty-four van George Orwell lag op vele nachtkastjes, als een aankondiging van wat er op ons af kwam.
De aanwezigen, die ochtend, waren: M., ik, de geur van de zomer, het blauw van de lucht, de bomen in bloei, de vogels, de stemmen van de buren, het eeuwige geschrob van mevrouw T. (smetvrees)
en ver weg, zo ver weg dat we er helemaal niet aan dachten: de stad Z., waar we vandaan kwamen, waar onze ankers rustten, diep in de provincie.
Dit was m'n penthouse aan het Weteringcircuit, van waaruit drukke wegen liepen naar oost, west, zuid en noord.
Vanaf het circuit kwam het vrolijke geluid van de trambeltinggg! tingelinggg!en het denderen en krijsen van ijzeren wielen over ijzeren rails. Zes trams reden er over het circuit: de 25, de 24, de 16, de 10, de 7 en de 6, die ook wel de 101 werd genoemd (1 bestuurder, 0 passagiers, 1 conducteur). Als circuspaarden in de piste draaiden ze er hun dagelijkse rondjes.
In het midden van het circuit stonden hoge bomen in zachtgroen, haast lichtgevend gras. Een soort mini-woud waar behalve ik nooit iemand kwam. Het was er wonderlijk stil, zoals in een bos. Liggend in het gras, omspoeld door verkeersstromen, rookte ik er soms een sigaret. Alleen M. wist me daar te vinden.
Auto's, vrachtwagens, bussen, brommers en fietsers stortten zich van alle kanten in de draaikolk en wurmden zich er al toeterend, bellend, vloekend, duwend, trekkend en botsend weer uit, in noordelijke, zuidelijke, westelijke of oostelijke richting.
Dit drukke punt, deze draaikolk van voertuigenmet in het midden de magische rust van het mini-woudwas de langzaam ronddraaiende as van onze levens. Als we op het terras van m'n penthouse stonden, zagen we in de verte de Ring. Ook daar, rondom de stad, een onophoudelijk suizend stromen van voertuigen die zich 's ochtends de stad in drongen en er 's avonds weer uit stroomden in alle denkbare richtingen.
Voertuigen, mensen, woordendat alles werd rondgepompt door het Weteringcircuit. Een paar woorden werden niet rondgepompt, omdat ze er gebeiteld waren in steen of straalden in neon. Deze stilstaande woorden waren:

Een volk dat voor tirannen zwicht,
zal meer dan lijf en goed verliezen,
dan dooft het licht

En:

Heineken

Noordwaarts uitvoegend uit het circuit ging het richting het Centraal Station, waar ik de trein kon pakken naar m'n verleden, zo'n anderhalf uur reizen. In Z. hadden veel straten de naam van omliggende steden en dorpen: Weg naar L., D-weg, Weg naar V., W-weg, A-straat. Het was een stad waar de straatnamen je de weg naar elders wezen.
Oostwaarts ging het richting m'n toekomst, richting het Oostelijk Havengebied.
Ik woonde een jaar of vijf of tien of vijftien aan het Weteringcircuit. Ik weet niet meer precies hoe lang. Het kan ook honderd jaar geweest zijn, of duizend jaar.

Uit: Peter Bekkers, Eeuwige Bouillon (de roman), Uitgeverij Opera Non Scripta, d.d. als de klaver uit het veld is.

woensdag 20 februari 2019

Niet meer zulke diepe buigingen maken voor de woorden

Een door elkaar heen rennen van woorden, op zoek naar een uitgang die er niet is. Een te hoop lopen tegen een dichte poort, een elkaar vertrappen, verdrukken, verstikken. De paniek op de Titanic in 1912, in het Heizelstadion in 1985, in het Bataclantheater in 2015.

Tientallen woorden kwamen dagelijks om het leven, honderden raakten gewond. Mijn mondholte was een slagveld.
Waardoor werden de woorden tegengehouden? Door de lippen werden ze tegengehouden. De woorden probeerden door mijn lippen heen te breken, ertussendoor te glippen, door andere openingen naar buiten te komen, door mijn oren, door mijn ogen, door mijn neus, door mijn poriën, zelfs door mijn gat ja, sommige woorden wisten de paniek te ontvluchten door als scheet mijn lichaam te verlaten.
Allerwege barensweeën.
Als mijn lippen voor de p, de onmogelijke p van P. op elkaar gingen, dan kwamen ze niet meer van elkaar.
"De p is een plofklank. Bij de p verzamelt zich de lucht eerst voor de afgesloten lippen en komt dan met een plofje naar buiten."
Niet bij mij, P., kwam de p met een plofje naar buiten!
En ondertussen ging, hoog boven het drama uit, als boventiteling bij een toneelvoorstelling, mijn denken gewoon rustig door.
Degene met wie ik praatte wachtte tot er wat uit kwam. 
En wachtte. 
Sommigen probeerden te helpen door een soort verbale keizersnede toe te passen of door me op een bepaalde smekende manier aan te kijken, ongeveer zoals een vos die voor het hol van een konijn zit.

Maar mijn lippen wilden de p niet vrijgeven. 
Mijn lippen wilden de p niet laten ontsnappen.

Niet alleen de p, ook andere plofklanken leverden moeilijkheden op, en ook sommige wrijfklanken, neusklanken, affricaten en vloeiklanken (maar niet de glij- en keelklanken).
Het idee van een uitgang, van een smalle, kleine opening waardoor de woorden naar buiten moestendat idee moest ik opgeven. Geen binnen en buiten, geen poortmaar een geheel, een kosmisch ik, een eenheid van binnen en buiten, van woorden en dingen, van gedachten, gevoelens, waarnemingen en wereld. Tegelijk moest ik de woorden kleiner denken, kleiner maken, verpulveren. Niet meer zo hoog denken over de woorden, alsof ze wel majesteiten waren. Niet meer zo hoog opkijken tegen de woorden, niet meer zulke diepe buigingen maken voor de woorden. De woorden als gelijken behandelen, de woorden eronder krijgen.
"Al onze medewerkers zijn in gesprek, een ogenblik geduld alstublieft, u wordt zo spoedig mogelijk geholpen."
"Bedankt voor het wachten, waarmee kan ik u van dienst zijn?"
Ik had me de hele eindeloze wachttijd lang zo zenuwachtig gemaakt voor de p van P. dat ik ter plekke een andere naam verzon.
Mijn alter ego was geboren (uit nood).


Uit: Peter Bekkers, Eeuwige Bouillon (de roman), uitgeverij Opera Non Scripta, d.d. als de politie per varken komt.

De verre ster van de ouderdom kwam nu wel heel dichtbij

Supermaantje boven het Borneo-eiland
1971
's Nachts, als m'n vader maar doorreed en doorreed, onvermoeibaar rokend, lag ik vanaf de achterbank door het zijraam van de auto naar buiten te kijken.
Vegen licht, afkomstig van de lantaarnpalen langs de autoroute, waaiden door de auto en over de gezichten van m'n vader en moeder, die daardoor telkens even oplichtten, alsof ze gescand werden. Met behulp van de Grote Bosatlas had ik uitgerekend dat het ongeveer 1500 kilometer was naar onze bestemming in Italië, en daar deden we een dag en een nacht over.

Het zou ruim 25 dagen en nachten duren om in één ruk de aarde rond te rijden en ruim 240 dagen en nachten om naar de maan te rijden. De maan in het perigeum wel te verstaan. Naar de maan in het apogeum duurde nog veel langer, als je meetelde dat m'n vader ook af en toe moest uitrusten. Maar ik besefte pas echt hoe onvoorstelbaar klein we eigenlijk warenwij mensen, bedoel iktoen ik uitrekende hoe lang het rijden was naar de zon, namelijk zo'n 270 jaar, rustpauzes niet meegerekend.
We moesten barend reizen om de zon te bereiken. We zouden kinderen moeten krijgen onderweg, en die weer kinderen, en dat tien generaties lang, en dat allemaal op de achterbank van de auto.
Naar de dichtstbijzijnde volgende ster, Proxima Centauri, zou miljoenen jaren duren.
Deze wijde blik, dit kosmische perspectief kon ik nooit lang vasthouden, hoewel het beslist bevrijdend was. Na een poosje herstelde alles zich vanzelf weer in de vertrouwde dimensies waarin ik mezelf toch min of meer als "groot" ervoer, als iets wat je kon zien zonder een vergrootglas of een elektronenmicroscoop te gebruiken.
Minstens even onbegrijpelijk ver verwijderd als Proxima Centauri was de ouderdom. Het was eenvoudig onvoorstelbaar dat ik ooit zo oud zou zijn als m'n grootvaders met hun wandelstokken van knokig bamboe, hun ouderwetse hoeden en hun grote grijze jassen. 
Maar inmiddels was het 2016. Ik was 58. De verre ster van de ouderdom kwam nu toch wel heel dichtbij, werd steeds groter door het raampje van m'n capsule. Terugkijkend zag ik nergens meer het begin. Of toch, daar, een stipje niet groter dan de prik van een naald in oneindig uitgespannen zwart.

Uit: Peter Bekkers, Eeuwige Bouillon (de roman), uitgeverij Opera Non Scripta, d.d. als de kiekens tanden krijgen.