woensdag 20 november 2019

Piëta met hond (9) / Het geschreven woord




PIËTA MET HOND


8


Het geschreven woord




 De meeuwen tikten met hun snavels tegen de ramen. Het was hun etenstijd. Ze kwamen elke dag, een hele zwerm. Ik gaf ze brood. Ze aten uit mijn hand.
  'Jullie krijgen zo,' zei ik. En tegen de deurwaarder:
  'Het spijt me dat ik even weg moest.'
  De deurwaarder legde formulieren voor zich op tafel. Hij pakte een vulpen uit zijn binnenzak, draaide de dop eraf met enig ceremonieel, en begon te schrijven. Hij hield zijn jas aan. Hij had ongelofelijk schone handen.
  'Wilt u koffie?' vroeg ik. Ik had gehoord dat je voor deurwaarders altijd aardig en beleefd moest zijn.
  'Nou graag,' zei hij.
  'Of is het soms uw zoveelste kop koffie van vandaag en wilt u misschien liever thee?'
  'Graag.'
  Hij was er duidelijk niet bij met zijn hoofd. Hij was aan het schrijven. Ondertussen keek hij rond of hij ook spullen van waarde zag, terwijl Dadias d'Arbrisseau blafte tegen de meeuwen. Wat ging hij tekeer! Het leek wel of hij er God weet wat voor een salaris voor ontving, om met de schrijver Nikolai Gogol te spreken.
  'Wat wilt u nu het liefst? Thee of koffie?'
  'Meneer, het maakt me echt niet uit, ik vind allebei lekker, ik heb in allebei wel zin.'
  'Koekje erbij?' Ik had gehoord dat deurwaarders koekjes erg lekker vinden. 
  Dadias d'Arbrisseau hield even op met blaffen en spitste zijn oren. Hij was ook dol op koekjes.
  'Graag,' zei de deurwaarder.
  Ik liep naar de keuken om koffie en thee te zetten en koekjes te pakken, maar alles was op. Ik had alleen nog slivovitsj.
  'Wilt u een glas slivovitsj?' riep ik vanuit de keuken.
  'Graag.'
  Nu wilde hij weer graag die slivovitsj.
  'Mag ik ook een glas?' vroeg de agent. Ik was hem helemaal vergeten. Hij zat stil in een hoek van de kamer in mijn geschiedenisboeken te bladeren. De koevoet stond rechtop tussen zijn benen.
  Ik gaf ze allebei een glas.
  'Nou, proost, op de beslaglegging,' zei ik terwijl ik slivovitsj in de glazen schonk.
  'Op de beslaglegging,' zeiden de deurwaarder en de agent.
  Ik zette muziek op en we gingen door mijn huis lopen om de inventaris op te maken.
  Lisa was bezig haar koffers uit te pakken. Marianne was zich achter een kamerscherm aan het aankleden.
  De deurwaarder schreef alles op wat hij zag, behalve mijn bed, mijn stoel, mijn tafel en dingen waarvan hij dacht: dat is niks waard.
  Doordat hij al die spullen opschreef, door de macht van het geschreven woord, waren ze nu niet meer van mij maar van hem. Ik had gelezen dat het in sommige beschavingen verboden was om de naam op te schrijven van spullen van iemand anders. Het werd als diefstal beschouwd. Als je het toch deed, werd de hand waarmee je het had opgeschreven eraf gehakt, precies als de hand van een dief. Ook het fotograferen van iemand anders werd als diefstal beschouwd. Diefstal van de ziel, wel te verstaan.
  'U moet morgenochtend het verschuldigde bedrag komen betalen bij mij op kantoor,' zei de deurwaarder toen hij klaar was met de inventarisatie, 'plus de kosten van dit bezoek. Als u het niet doet, plak ik een plakkaat op de gevel van dit pand met de mededeling dat er op uw adres een openbare executieverkoop zal plaatsvinden. Ook zal ik een advertentie plaatsen in de kranten. Dat kost u allemaal extra geld, dus u kunt maar beter betalen.'
  'Maar over een paar dagen bestaat dit pand niet meer,' zei ik, 'dan is het gesloopt, dan wordt het een openbare executieverkoop van lucht.'
  'Maakt niks uit,' zei hij.
  Dat was nou de heerschappij van het bureau.
  Toen stopte hij de formulieren in zijn leren tas, zette zijn hoed op en vertrok.
  'Nog bedankt voor de slivovitsj,' zei hij.
  'Ja, nog bedankt,' zei de agent, die achter hem aan liep.
  Op de televisie was een man met slecht zaad te zien. Daar had ik gelukkig geen last van. Bij mij zag je de spermatozoïden als dolfijnen uit het sap omhoog springen. Ik kon er een heel mini-dolfinarium mee beginnen, een heel spermatozoïdentheater.

  'Ik ga ook,' zei Marianne.
  Ik liep met haar naar beneden, de trap af. Ik begeleidde haar naar de deur, zoals ik altijd deed met vertrekkende gasten. De deurwaarder en de agent waren geen gasten, maar indringers, dus die had ik niet begeleid.
  Het was druk in het trappenhuis. De bewoners waren al bezig met de grote uittocht. Een heel interieur liep de trap af. Voorop een tafel, daarachter vier stoelen en daar weer achter een schemerlamp.
  'Marianne?'
  'Ja?'
  'Heb jij een man?'
  'Ja.'
  Ik zei niks. Geen woord. Dat had ik in Café Höhenwahn beloofd.
  Het steentje dat om haar hals hing fonkelde.
  'Wat is dat eigenlijk voor een steentje?' vroeg ik.
  Ze haalde het tevoorschijn.
  'Het is een robijn,' zei ze. 'Robijnen komen uit de grond, net als goud. Sommige zijn zo kostbaar als diamant. Je kunt ze ook synthetisch vervaardigen. Door het strooien van zuiver aluminiumoxidepoeder op de kop van een vuurvast staafje, geplaatst onder het warmste gedeelte van een naar beneden gerichte knalgasvlam, groeit er een peervormig kristal van korund. Als je chroomoxide aan het poeder toevoegt, krijgt het kristal vanzelf de rode kleur van robijn.'
  'Dus jij kunt zelf symbolen van de liefde maken?'
  'Ja, dat kan ik.'
  'Zulke mensen ontmoet ik niet iedere dag,' zei ik.
  Weer die schaterlach, die mengeling van goedheid en slechtheid. Als iedereen zo was als Marianne, dan was de wereld niet zo door de ratten aangevreten als nu het geval is
  Toen kwam de oude wolf de trap af stormen.
  'Ik ga dood!' riep hij.
  Het kwam door de drank. Hij was een liefhebber van wodka. Maar al bij de eerste slok wodka, het eerste onschuldige vissenhapje met de lippen, begon het te waaien in zijn kop. De dood was een obsessie voor hem. Hij dacht aan niks anders (vandaar de practical jokes). Hij stormde naar buiten, de straat op, en balde zijn vuist tegen een grote sloopmachine.
  Marianne nam afscheid.
  'Kom je morgenavond bij me?' vroeg ze. Ze gaf me een kus en haar adres.
  'Misschien,' zei ik. Ik vond het ingewikkeld.
  Ik had geen agenda, dus ik moest het in mijn hoofd prenten, op mijn hand of op een los papiertje schrijven.

  'Wie was die stomme troela?' vroeg Lisa toen ik weer boven was. En ze voegde er in één adem aan toe: 'Als je het niet zegt ga ik weg.'
  'Het is de vriendin van m'n vader. Dus je hoeft er niks achter te zoeken.'
  'Je vader? Ik dacht dat je die al tien jaar niet had gezien?'
  'Dat klopt,' zei ik, 'de wereld is klein. Maar wil je me even krabben, op m'n rug, ik heb daar zo'n kriebel en ik kan er net niet bij.'
  'Zometeen,' zei Lisa. 'En wat is het hier een troep. En wat doet die hond hier? En die meeuwen?'
  'Ik ben alles aan het opruimen,' zei ik, 'daarom is het hier zo'n troep. De hond is van m'n zus, ik pas op hem. De meeuwen ga ik nu broodkruimels voeren. Doe je mee?'
  Ik deed de balkondeuren open en samen voerden Lisa en ik de meeuwen.

  Het werd al mijn zoveelste verhuizing. Het verhuizen zat me in het bloed.
  Een oom van me, een broer van mijn vader, was verhuizer van beroep. Hij kon in zijn eentje de schuur in de tuin van zijn ouders optillen, zo sterk was hij. Soms wandelde de schuur op twee voeten door de tuin als de hut van Baba-Yaga. De eerste keer dat dit gebeurde was iedereen zeer onder de indruk, maar op het laatst liep de schuur door de tuin zonder dat iemand er nog op lette. Hij was een typische optiller van zware dingen, mijn oom, en daarom kwam het voor niemand als een verrassing dat hij op een dag de volgende woorden sprak:
  'Vader, moeder, ik word verhuizer.'
  Dat was bepaald geen onverstandig besluit voor een sterke jongen zoals hij, en daarom zeiden zijn vader en moeder: 'Jongen, je gaat je gang maar.' Dat klonk niet enthousiast, hoewel het wel zo bedoeld was. Maar dit terzijde.

maandag 18 november 2019

Piëta met hond (8) / De de Wolfs




PIËTA MET HOND


7


De de Wolfs




Brams vader, de oude wolf, zat roerloos op de bank. Zijn hoofd hing scheef, zijn tong – paarsblauw als de tong van een chowchow – hing uit zijn schuimende mond, zijn ogen stonden wijd open. Het leek of hij aan het doodgaan was. Ik had het gevoel dat we hem moesten gaan verstoppen, maar dat sloeg eigenlijk nergens op.
  Brams moeder schonk een glas vol rosé. Ze dronk het leeg terwijl we van een afstand naar de oude wolf zaten te kijken.
  'Wat is er met hem aan de hand?' vroeg ze.
  Hoe moest ik dat weten?
  'Hij zit daar al een hele tijd zo. Wat moeten we doen?'
  Toen kwam er beweging in de oude wolf.
  'Grapje!' riep hij.
  Zo'n practical joker was hij. 
  'Wat ben je toch een zakkenwasser,' zei Brams moeder.
 
Ik weet niet of je wel eens iemand gekend hebt die de hele dag alleen maar op een stoel zit, en rookt en drinkt en praatjes heeft en ruzie maakt? Nou, zo iemand was Brams moeder. Precies zo en niet anders. Ze ging zo vroeg mogelijk naar bed en stond zo laat mogelijk op, om maar zo weinig mogelijk van de dag te hoeven meemaken. Ze stond op met de beste bedoelingen, maar na een half uur was alles alweer verpest, vond ze. Dan ontkurkte ze de eerste fles rosé.
  Ze droeg een pruik. Soms deed ze de pruik af en hing ze hem aan de kapstok alsof het een hoed was. Dan zag je haar kale hoofd. Soms zat de pruik scheef of verkeerd om. Dan deed ik hem recht, zoals nu.
  'Mevrouw de Wolf, uw pruik zit scheef. Zal ik hem rechtzetten?'
  Ze boog haar hoofd naar me en ik draaide de pruik een kwartslag in het rond, zodat alle krullen weer op de juiste plek zaten.
  'Zo, nu bent u weer mooi en aantrekkelijk,' zei ik.
  Ze dacht vaak aan seks, zei ze. Ze was dol op seks. Ze lustte er wel pap van, zoals de volksmond het zo sappig en grappig uitdrukt. Soms deed ze netkousen en jarretels aan en verfde ze haar lippen rood. Het rood zat dan om haar lippen heen, zoals bij een clown. Zo liep ze dan door het huis, op hoge hakken en in een wolk van parfum uit een antieke parfumverstuiver die nog van haar verre voorouders was geweest. Ze was dan op de versiertoer. Ach, maar er was niemand om te versieren. Dan probeerde ze soms mij maar te versieren.
  'Bram!' riep ze.
  Ze riep het keihard, alsof Bram ver weg was, maar hij stond gewoon naast haar.
  'O, ben je daar, jij niksnut? Waar kom je zo snel vandaan? Waar heb ik het toch aan verdiend om zo'n zoon te hebben? Nou vooruit, schiet op, ga wat te eten voor ons maken in de keuken. En pas op dat je geen elektrische schok krijgt.'
  Volgens Brams moeder kreeg je van bijna alles een elektrische schok.
  Bram ging naar de keuken en kwam terug met belegde boterhammen. De één wordt op handen gedragen vanaf zijn geboorte tot zijn dood, zijn hele leven wordt hij in de watten gelegd. De ander wordt de huid vol gescholden zodra hij zijn snuit maar ergens om de deur steekt. 
  Ken je het verschijnsel dat je jezelf plotseling in een spiegel ziet terwijl je op die plaats en tijd geen spiegel had verwacht? Als je geluk hebt denk je in die nanoseconde:
  'Hé, wat is dat voor een aantrekkelijk iemand?'
  Als je pech hebt denk je:
  'Wat is dat voor een misbaksel?'
  Op een dag zag mevrouw de Wolf haar enige zoon op ongeveer zo'n manier en ik zal maar niet zeggen wat ze dacht.
  Bram was overal te laat mee. Hij begon te laat met lopen. Zijn vader en moeder dachten dat hij kreupel was. Hij begon te laat met praten. Ze dachten dat hij een idioot was. Hij begon te laat met lezen en schrijven en ze wisten gewoon niet meer wat ze denken moesten. Hij kwam elke dag te laat op school, waardoor hij elke ochtend voor straf een half uur eerder op school moest komen. Hij was de slechtste leerling van de klas, van de school, van de stad. Maar hij was slim, dat kon ik merken. 's Nachts spoot hij zijn naam op muren en op trams met zijn verfspuitbussen. Hij was een bomber (een veelschrijver). Overal waar je keek zag je zijn zijn tag:

Wolf 183

  Ik wist niet wat dat "183" te betekenen had. 
  Hij bezat een mes waarmee hij zich verdedigde of waarmee hij aanviel. Hij was een vechtersbaas. De wereld van de graffitischrijvers was een harde wereld. 
  Toen moest ik er vandoor. De deurwaarder en de anderen zaten te wachten. Ik hoorde hun voetstappen boven me.

Piëta met hond (7) / Honeymoon Quiz




PIËTA MET HOND


6


Honeymoon Quiz




'Waarom zit je telkens aan je neus?' vroeg Lisa.
  'Zeg ik niet,' zei ik.
  Iemand legde een tegenhoudende hand op mijn schouder toen we naar binnen gingen. Het was de deurwaarder. Hij had een politieagent bij zich en die had weer een koevoet bij zich. Ze kwamen geld halen. Maar dat had ik nu niet en daarom gingen ze beslag leggen op mijn spullen. Ik kon wel zien dat er geen gram geduld meer in de deurwaarder over was. 
  Het betrof een boete voor zwartrijden die in vijf herinneringen was opgelopen van veertig naar twaalfhonderdtachtig gulden. 
  Leverden mijn herinneringen maar zoveel geld op!
  Ik woonde op vijf hoog. Alle verdiepingen hadden hoge plafonds, we moesten veel trappen op. Het pand stond bijna net zo scheef als de toren van Pisa.
  We klommen en klommen. De deurwaarder en de agent puften van de inspanning en de warmte. Dadias d'Arbrisseau hijgde. Zijn tong sleepte zowat over de treden. Alleen Lisa huppelde zo lichtvoetig als een vlindertje de trap op. Ze telde de treden. We waren al bij de vijftigste trede en nog was mijn woning niet in zicht. Onderweg zei de agent: 'Je moet nooit zo hoog gaan wonen. Dat is gevaarlijk. Je ogen kunnen eruit vallen als je naar beneden kijkt.'
  Eindelijk waren we er. Mariannes ijsje was gesmolten.
  Ik hoefde niet eens de sleutel in het slot te steken. Marianne deed de deur al open. Ze had iets doorzichtigs aan. Het was een bandeloze tijd. Je kon haar borsten zien. Lisa begon meteen te huilen. Dit was geen goed begin van het samenwonen.
  'Lisa, niet huilen.'
  Ik sloeg een arm om haar heen.
  'Kom binnen,' zei ik tegen de deurwaarder en de agent.
De televisie stond aan. Er was een herhaling te zien van de Honeymoon Quiz. De bruid trok aan een touw en boven de bruidegom ging een luik open. Een hele plens bagger kwam bovenop de bruidegom terecht en hij won duizend punten.
  Toen werd er op de deur gebonkt.
  Het was Bram met zijn plastic zak vol verfspuitbussen. Daarmee spoot hij zijn naam op muren en trams. 
  'Hé Bram, kom binnen,' zei ik. 
  Hij was elf. Hij kwam elke dag bij me op bezoek. Hij was de zoon van de heer en mevrouw de Wolf, mijn benedenburen. Zij waren er de oorzaak van dat ik altijd op mijn tenen door mijn huis liep. De de Wolfs konden er niet tegen om voetstappen boven hun hoofd te horen. Dan zaten ze allebei met hun handen op hun oren op de bank. Het deed ze denken aan de oorlog. Ze zeiden: 'We zijn niet zo hoog gaan wonen om voetstappen boven ons hoofd te horen.' 
Daar zat wat in, vond ik. Verder maakten ze de ergste ruzies die ik ooit had meegemaakt. Omdat ik zo stil moest zijn kon ik alles horen.
  'Kom gauw,' zei Bram. Hij pakte mijn hand en trok me mee.

  Ons pand werd overmorgen afgebroken. Ook dat was geen goed begin van het samenwonen.
  De hele buurt werd afgebroken. De hele gribus. De machtige machines stonden al klaar. Er liepen voortdurend mannen door de buurt op schoenen met metalen neuzen en met gele helmen op. Ze keken steeds omhoog terwijl ze met hun voeten in de modder stonden. En overal waren televisiecamera's. Ze gingen het slopen filmen.
  Iedereen ging weg, er was een grote uittocht aan de gang. Ik ging ook weg. Ik wist alleen nog niet waarheen. Misschien kon ik een tijdje bij mijn vader wonen. Dat moest ik hem vandaag nog vragen. De tijd drong.
  Alleen de de Wolfs weigerden om weg te gaan. Geen haar op hun hoofd dat eraan dacht. Brams moeder was volkomen dolgedraaid door het probleem. Ze deed niks anders dan stofzuigen. Af en toe rende ze zomaar de straat op met haar stofzuiger, alsof ze de wereld ging stofzuigen. 
  'Kom gauw,' zei Bram.
  'Ik ben zo terug,' zei ik tegen de anderen.

zondag 17 november 2019

Piëta met hond (6) / Geschiedenis




PIËTA MET HOND


5


Geschiedenis




Lisa stond al voor de deur. Ze was zestien. Ik negentien. 
  We waren teenagers, zoals ze in Amerika zeggen. We hadden een jaar verkering, zoals ze in Twente zeggen.
  Ze trok bij me in. We gingen samenwonen.
  Marianne had ik pas de vorige avond ontmoet. Ze was nieuw voor me.
  Lisa had een stapel koffers en tassen bij zich. Ook haar konijn had ze bij zich. Volgens mij was het een marmot. 
  Ze was veel te vroeg. Ze drukte met haar hele wezen op de bel. Ze legde haar hele ziel en zaligheid erin.
 
  Later wilde ik professor in de geschiedenis worden. Dat was mijn plan, mijn toekomstplan. De geschiedenis van de wereld is een geschiedenis van rampen en van god. God is het laagste punt, niet het hoogste punt. Alles rolt er vanzelf naartoe, alleen de vogels niet.
  Het is de zwaarste studie van allemaal. Duizend boeken. Een miljoen boeken. Ontelbaar veel boeken. Alle boeken van de wereld. 
  Het sprak me wel aan. Mijn moeder wilde dat ik arts werd. Ze zei: 'Als je arts bent, dan heb je geld op de bank en dan kun je in je vrije tijd aan geschiedenis doen.' 

  'Lisa!' riep ik vanuit de verte.
  Het was een snikhete dag. Er was sprake van een hittegolf. De mussen vielen van het dak.
  'Waar kom je vandaan?' vroeg Lisa.
  'Wat doet het ertoe waar ik vandaan kom,' zei ik, 'het gaat erom waar ik nu ben. En ik ben nu hier, bij jou.' 
  'Is het soms geheim waar je was?'
  'Nee hoor, het is niet geheim.'
  'Waarom vertel je het dan niet?'
  'Daarom niet.'
  Daar nam ze genoegen mee. Ze gaf me een kus op mijn mond. De tong liet ze niet naar buiten komen. Dat vond ik zo teder.
  Hoewel Lisa kleiner was dan ik, leek het net of ze groter was dan ik. Dat kwam doordat ik tegen haar opkeek. 
  Als het waar is dat de slechtheid, de leugen en de lelijkheid één en ondeelbaar zijn, zoals sommigen beweren, dan moeten ook de goedheid, de waarheid en de schoonheid één en ondeelbaar zijn. 
  Als er toevallig op dat moment een Fransman was langsgekomen, dan had hij vast en zeker gedacht:
 'Tiens! Les extrèmes se touchent.'
  Ik had de ijsjes gekocht bij Häagen Dasz. Cookies & Cream voor Marianne en Rum & Raisins voor mezelf.
  Ik gaf mijn ijsje aan Lisa. 
  'Voor mij?'
  Ik vond haar net een heilige. Haar stem was honing, mijn oor een bruine beer.
  'Voor jou.'

  'Laat me je handen eens zien,' zei ik.
  Ze liet ze zien. Ze had weer op haar nagels gebeten. Om haar vinger-toppen zaten pleisters.
  Toen zei ze: 
  'Ik ben zwanger.'
  'Van mij?' vroeg ik. 'Laten we dan bidden dat het jouw schoonheid erft.'
  Maar ze wilde het liever laten weghalen, zei ze.
  Dat vond ik ook goed.
  Later die dag, toen Marianne weg was, begon Lisa te bidden, gewoon op klaarlichte dag. Ze geloofde hartstochtelijk in god. Ze zei tegen hem:
  'Lieve god, maak dat alles goed komt en dat de komeet niet op aarde neerstort, amen.'
  Er stond al een week een komeet aan de hemel. De hele wereld was melancholiek, want hij kwam maar eens in de tienduizend jaar.
  Maar voor ik verder ga wil ik het volgende verhaal vertellen, zodat je begrijpt waarom Lisa een goed mens was. Het is een anekdote, dus je hoeft er niet lang bij stil te staan.
  Lisa en ik hadden twee kaartjes gekregen voor het Concertgebouw. Er kwam daar een beroemde zanger.
  De zaal was vol mensen van goede komaf. Er was nog niemand te zien op het podium. Er klonk verwachtingsvol geroezemoes.
  We hadden gehoord dat de zanger de beste tenor van de wereld was.
  Eindelijk kwam hij de trap af.
  Hij had geeneens armen! Zijn hoofd was even groot als de rest van zijn lichaam. Het softenon had hem zo verschrikkelijk te pakken gehad. Dat wisten Lisa en ik niet. Daar had niemand ons voor gewaarschuwd. Dat hadden ze ons wel even mogen zeggen.
  Daar begon hij te zingen. O, wat een prachtige klanken. Wat een tenor.
  De handen van de tenor zaten direct aan de schouders vast, dus zonder armen ertussen, en die handen leken wel de vleugels van een pasgeboren vogeltje, zo machteloos wapperden ze op en neer en heen en weer.
  Lisa kon er niet tegen. Ze moest zo lachen. Ze kon er niks aan doen. Het was eigenlijk huilen. Het werd steeds erger. Ze keek naar de grond, om de zanger niet te zien. Maar schijnbaar zag ze hem toch, voor haar geestesoog, want het hield niet op.
  En het werd er niet beter op voor Lisa toen sommige bezoekers opmerkingen begonnen te maken over haar schandelijke gedrag.
  Lisa kon het lachen niet meer binnen in zich houden. Ze kon het niet meer volhouden om geen geluid te maken. En daar kwam het eruit. Als paarden in galop. Als duizend blauwe, gele en rode papegaaien. Als champagne uit een geschudde fles.
  Ik sleurde haar mee, uit de stoel, voor alle strenge benen van goede komaf langs. Ik maakte allemaal excuses. Daar was ik goed in.
  Lisa droeg een elegante witte zomerjurk met blauwe stippen.
  Omdat ze niet meer kon lopen van het lachen moest ik haar dragen. Zo verlieten we de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw.
  En daarom hield ik zoveel van Lisa. Omdat ze de lach van honderden mensen voor haar rekening nam. Want ik had gezien dat Lisa's lach aanstekelijk werkte op iedereen. Alleen konden de anderen hun lach binnenhouden. Maar Lisa kon dat niet. En weet je waarom niet? Omdat ze een goed mens was, zoals ik al zei.
  Meer heb ik hier niet aan toe te voegen. 

zaterdag 16 november 2019

Piëta met hond (5) / Rennen




PIËTA MET HOND


4


Rennen





Roef was al aan het janken toen ik eraan kwam.
  'Rustig maar Roef.'
  Hij sprong tegen me op. Hij was blij dat ik er was.
  Hij heette eigenlijk Dadias d' Arbrisseau. Hij was een rashond. Een Petit Basset Griffon Vendéen. Zijn vader heette Cacao des Rives de la Garonne. Zijn moeder heette Vedette des Barbus d'entre Lac. Het was een deftig beest. Over zijn voorouders zal ik het maar niet eens hebben. 't Was de allerhoogste adel.
  Hij had het hele grachtenpand van mijn zus ondergescheten. Hij had 't met zoveel kracht uit zijn gat geschoten dat het tegen het plafond zat. Zodra hij alleen was begon hij te janken en uit alle macht, nou ja, te schijten. Hij kon niet alleen zijn. Ik mocht hem graag.
  Ik sloeg mijn armen om hem heen en drukte hem stevig tegen me aan. Dat vond hij fijn. Hij beefde van voor naar achter. Hij was nat van het zweet van de paniek. Ik aaide hem.
  'Rustig maar, braaf beest. Toe maar. Ik ruim alles wel op. Ik zal je nooit meer alleen laten. Ik zal je overal mee naar toe nemen. Dat beloof ik. En weet je wat? Ik noem je voortaan Dadias d' Arbrisseau, want zo heet je, en het klinkt veel beter dan Roef.'
  Na het eten – een schrokken – gespte ik zijn riem om en we gingen de straat op. Hij blafte van vreugde. Zijn flaporen gingen op en neer van enthousiasme. En overal ging hij even snuffelen. Hij snoof de geurtjes op tot diep in zijn binnenste. O, tot in zijn tenen. En daarna, als hij er een hele tijd aan geroken had, aan zo'n geurtje, dan ging hij eens rustig zitten nadenken, god mag weten waarover. Hij had een enorme neus. De neus van een jachthond.  
  Eindelijk had hij een goeie plek gevonden om zijn behoefte te doen, zoals dat heet.
  'Nee, Dadias d' Arbrisseau, niet hier,' zei ik, 'niet uitgerekend hier.' 
  Maar het was al te laat. Hij zat er helemaal klaar voor. We stonden precies voor de deftigste schoenenwinkel van de stad, met in de etalage de allermooiste schoenen die ik ooit gezien had, namelijk een paar Grensons.
  Meteen kwam er een schoenverkoper naar buiten lopen met een schep, een plastic zakje, een borstel en een emmer water. Hij gaf de spullen aan mij en zei:
  'Als je hond precies hier voor de deur van onze schoenenwinkel z'n behoefte wil doen, prima, daar heb ik geen problemen mee. Hier heb je wat spullen, en ruim het maar op zodra je hond klaar is.' 
  Ik schaamde me dood. Hij praatte zo hard dat alle voorbijgangers het konden horen. Er vormde zich een klein groepje omstanders. Het viel me nog mee dat ik geen tandenborstel kreeg om de stoep mee schoon te boenen op mijn knieën, want het was bekend dat die zeer deftige schoenenwinkel in de oorlog laarzen en leren jassen had gemaakt voor bepaalde mensen. Maar op een dag moet je ophouden daarover te zeuren en dus zei ik er niets over. Het gaf me wel het recht, vond ik, om die spullen niet aan te pakken.
  'Vertel me liever,' zei ik tegen de schoenverkoper, 'hoe duur die Grensons daar zijn, want die wil ik kopen.' 
  Dadias d' Arbrisseau was klaar en zat alweer aan het achterste van een andere hond te ruiken. Hij stak zijn neus er zowat helemaal in. Hij kwispelde zo hevig dat hij bijna zijn evenwicht verloor. Toen deed die andere hond ook zijn behoefte voor de deur van de schoenenwinkel.
  Het begon nu werkelijk een smerige bende te worden. Ik voelde me schuldig. 
  'Godverdomme!' schreeuwde de schoenverkoper. Hij was per ongeluk midden in de uitwerpselen gaan staan.
  'U bent er middenin gaan staan,' zei ik tegen hem, 'nu zit het onder uw schoen. Nu wilt u zeker dat ik het eraf schrob met een tandenborstel. Het lijkt me precies iets voor u om zoiets te willen.' 
  Had ik het toch gezegd. 
  Hij werd vuurrood van kwaadheid. Hij wou me een dreun verkopen. Hij wou me in elkaar slaan, ja, tot moes slaan. Ik kon nog net op tijd opzij springen en het op een lopen zetten.
  'Rennen!' riep ik tegen Dadias d' Arbrisseau. En daar gingen we. In volle vaart. Dwars door de stad. Door de smalle steegjes. Over de grachten. Dadias d' Arbrisseau vond het heerlijk. Zijn flaporen dansten om zijn kop. Ik vond het ook heerlijk. De vliegende vaart had ons te pakken. We waren als bladeren in de storm. We renden de Blauwbrug over. Langs het Amstelhotel. De Wibautstraat in. De gribus van Oost in. We vluchtten voor iedereen uit. Voor de hele wereldgeschiedenis uit. Voor alle rampen uit. Voor god uit. Voor de schoenverkoper uit. Ze probeerden ons allemaal te pakken te krijgen. Een heel stel vijanden. Maar wij waren sneller. Wij waren de omgekeerde Don Quichot en Sancho Panza.
  Het was midden in de zomer. Er gebeurde niks. Het was stil en leeg en warm.
  'Rennen, Dadias, rennen!' 
  En zo kwamen we aan bij mijn huis, nadat we eerst nog een paar boodschappen hadden gedaan. Ik had geen ontbijt of lunch gekocht zoals ik van plan was. Ik had ijsjes gekocht, dure ijsjes, omdat het zo warm was. Twee voor een tientje. Ze begonnen al te smelten.

Piëta met hond (4) / De andere kant van de rivier (vervolg)




PIËTA MET HOND


3


De andere kant van de rivier (vervolg)





En daardoor wisten we dat haar ziekte, de ziekte waar geen medicijn tegen bestond, zoals de dokter had gezegd, weer over was.
  Mijn vader kwam nog één keer langs.
  De bel ging.
  Ik keek naar buiten, naar beneden, door het erkerraam. Daar stond hij, zijn armen vol cadeaus. Hij wilde zeker wat goedmaken.
  Mijn moeder was in paniek. Ze nam ons allemaal mee naar de zolder. Ze deed het luik van de zolder op slot. Ze schoof er een paar kasten bovenop. We verstopten ons dicht bij de sterren.
  'Ring!' deed de deurbel in het grote huis.
  We hielden onze adem in.
  De volgende ochtend vonden we de stapel cadeaus op de stoep, tegen de deur aan geleund. Ze vielen naar binnen toen we de deur open deden.
  En meer vertel ik er niet over, over vroeger. Een dooie merel zingt nog eerder een lied, dan dat ik er nog een woord over vertel.

  Mijn vader bleek een stevige kerel, een bizon van een kerel. Ik gaf hem een knipoog. Ik dacht dat dat misschien een goede manier van doen was.
  'Ik las het briefje op de deur,' zei ik. 'Is Marianne je vriendin?'
  Hij keek verstoord. Ik hield er meteen over op. Ik wilde geen ruzie met hem krijgen. Ik wilde dat hij zich goed voelde. Tenslotte was hij jonger dan ik, om met de schrijver Robert Musil te spreken. Toen mijn vader geboren werd was onze eeuw – vol rampen – nog jong. Toen ik geboren werd was onze eeuw al oud aan het worden.
  'Barkeeper, nog twee bier,' riep hij met een luide stem die klonk als een klok.
  Hij had geen pokerface. Elke man wil graag een pokerface hebben, want een gezicht dat meteen alle gevoelens verraadt, daar kom je niet ver mee in vredes- of oorlogstijd (de oorlog, die wist wat). Het beste is het, om een gezicht te hebben waar niks doorheen komt, geen enkele innerlijke zonnestraal, geen enkele bliksemflits of bewolking. Maar bij hem kwam alles erdoorheen, alles. Ik kon wel zien dat hij de barkeeper een idioot vond.
  'En een korenwijn,' riep mijn vader. Hij knipoogde naar me.
  Hij dronk de korenwijn en het bier snel op.
  Terwijl hij dat deed – klokklok – zei ik tegen hem:
  'Ik ken ook een vrouw die Marianne heet, en volgens mij is het dezelfde.'
  Ik zei het, want als je het niet zegt, dan begint meteen het geweten te knagen.
  Mijn vader zette zijn glas op tafel en keek me streng aan. Ongeveer zoals Beethoven.
  In het begin leken zijn ogen op knikkers, maar nu leken ze op oesters. Dus eerst waren ze helder en nu waren ze troebel. De alcohol had dat gedaan.
  Ik dacht dat hij me ging aanvliegen. Dat hij me tot moes ging slaan. Dat was niet het geval.
  Toen kwam er een man bij ons aan tafel zitten. Hij ging achterstevoren op de stoel zitten met zijn benen wijd. Zijn armen rustten op de rugleuning en daarop legde hij zijn hoofd. Hij had lang haar en een lange baard en twee van de droevigste belastingblauwe ogen die ik ooit zag. Hij begon moppen te vertellen, waarbij hij telkens schudde van het lachen.
  Na een half uur moest hij ervandoor om een streepjespak te kopen en er kwam een nieuwe man op de stoel zitten die met ons over het nut van ontploffingen ging praten. Daarna kwam er één die niks zei omdat hij het te druk had met zich krabben. Daarna één die precies het geluid van baggeren-onder-water kon nadoen. En tenslotte één met een bizar kapsel, die het volgende korte verhaal vertelde, over een tube:
  'Die tube lag in m'n huis. Ik wist niet van wie het was of wat het was. Ik dacht, kom, ik smeer maar eens wat in m'n haar.'
  Toen we weer alleen waren begon mijn vader over Marianne.
  Hij prees haar de hemel in. Hij prees alles van haar, al haar vlees. Haar borsten (daar had hij verstand van), haar nek, haar hals, haar billen, haar mond, haar voeten, haar tenen. Daarna bestelde hij nog wat vanwege de eeuwige dorst, en hij ging verder met het prijzen van haar botten en gewrichten, haar tanden en kiezen. Toen hij daarmee klaar was prees hij haar geest en tenslotte prees hij haar stem, haar oogopslag, haar glimlach en haar bewegingen.
  'En ze kan staande plassen, precies in de pot.'
  Dat vond hij zo geweldig. Hij kneep in mijn wang.
  Het was dezelfde Marianne, dat was me wel duidelijk.
  Hij zei tegen me dat ik een goede neus voor vrouwen had en dat iedereen verliefd op haar was, mens en dier – de hele wereld.
  'En nog iets,' zei hij, 'vertel maar niet aan Marianne dat we vader en zoon zijn. Ze weet niet eens dat ik een zoon heb. Dat wil ik zo houden. En vertel haar ook maar niet van m'n hart.'
  Toen hervatte hij zijn monoloog over god, de oneindigheid, de dood, Galileo Galilei en Christoffel Columbus, en tot besluit hij zei het volgende, plechtige:
  'Een onzichtbare hand zorgt ervoor dat er op aarde evenveel mannen als vrouwen worden geboren, zodat geen levend mens, mooi of lelijk, goed of slecht, waar of onwaar, zich zorgen hoeft te maken over de voorplanting van zichzelf. Anders gezegd: voor ieder potje is er wel een dekseltje. De ziel wil eeuwigheid, wil diepe, diepe eeuwigheid, heeft een niet zo groot filosoof eens gezegd. Wat is er mooier dan die felbegeerde eeuwigheid veilig te stellen door het wonder van een zoon of een dochter? Natuurlijk, het is mogelijk om door roem een plaatsje te bemachtigen tussen de eeuwigen. Maar wat is roem vergeleken bij het natuurgeweld van een zoon of een dochter van vlees en bloed, die ons optilt boven onze geschiedenis, als een krachtpatser, en ons daarna in zijn of haar (sic) sterk geworden armen opvangt wanneer wij vallen? Maar dan moet die zoon niet alles aan Marianne vertellen, dat niet.'
  Hij had de hik gekregen.
  Ik beloofde dat ik niks zou zeggen, geen woord.
  'Heb je er wel eens over nagedacht,' zei hij, 'wat eigenlijk het einde van het lichaam is?'
  Ik zei nee, nooit over nagedacht.
  'Ik wel, en dit zijn de drie einden van het lichaam: de geest, de dood en de huid, alsjeblieft.'
  Ik was te lang in het café gebleven. Ik moest opschieten. Marianne moest nog ontbijten – dat werd lunchen – en Lisa was onderweg naar mijn huis. Maar eerst moest ik Roef eten geven, de hond. Dat kon niet wachten. Geen seconde.
  'Nu moet ik gaan,' zei ik tegen mijn vader.
  'Goed,' zei hij, 'en kijk uit op straat, there are many many banditos in the mountains.'
  Wat een steenkolen-Engels.

vrijdag 15 november 2019

Piëta met hond (3) / De andere kant van de rivier




PIËTA MET HOND


3


De andere kant van de rivier




Ik rende naar tram 3. Hij kwam er al aan. Ik kon er nog net op springen. Ik ging vooraan zitten, naast een oude man, om te zien of er geen controleurs op de haltes stonden. Als het kon ging ik altijd naast een oudje zitten in de tram. Dat gaf een veilig gevoel. Niks te vrezen.
  Het was druk in de tram. Een paar mannen speelden achter in de tram op gitaren. Een vrouw danste. Mijn voet ging vanzelf meedoen op het ritme (er stroomde wat zigeunerbloed door mijn aderen). Ondertussen oefende ik op de zin: 'Hallo papa, ik ben je zoon. Dat is lang geleden, hè?' Ik twijfelde zeer of ik 'papa', 'vader' of  'meneer' zou zeggen.
  Ik moest het goed oefenen, vanwege het spraakgebrek.
  Toen riep een man achter me:
  'Hé, klootzak!'
  Ik deed net of ik het niet gehoord had. Ik bleef recht voor me uit kijken. Ik ging gewoon door met mijn voet, op het ritme.
  'Hé! Jij daar! Klootzak! Dans eens voor ons! Op de muziek!'
  'Vooruit!' riep een andere man, 'we willen je zien dansen. Of kun je dat niet?'
  Ik zei niks.
  'Je hebt toch zeker niet je tong verloren, klootzak?'
  Ik gaf geen antwoord. Ik deed net of mijn neus bloedde.
  'Die klootzak wil niet voor ons dansen, wat zullen we met hem doen?'
  'We moeten hem een danslesje geven.'
  En daar kwamen ze aan. Ik begon me geestelijk voor te bereiden op mijn eerste dansles. Ik was er klaar voor.
  Maar ze sleurden de oude man naast me uit de bank. Hij had zeker iets misdaan. Hij was zo oud en knokig als een oude olijfboom.
  'Dansen!'
  'Loop naar de pomp!' zei hij.
  'Dansen!'
  'Loop naar de duivel!'
  'Zingen!'
  'Loop naar de maan!'
 Toen begonnen ze hem in elkaar te slaan.
 
  Het huis van mijn vader was boven een café dat Café Höhenwahn heette. Het stond op het raam geschreven in sierlijke letters: 

Café Höhenwahn

  Mijn vaders adres en telefoonnummer stonden gewoon in het telefoonboek (ik had hem al tien jaar niet meer gezien). Ik wilde op de deurbel drukken, maar er was een briefje op geplakt met de mededeling:
  'Marianne, ik ben in Höhenwahn.'
  Alleen de duivel weet op de centimeter precies hoe klein de wereld is. Wat een toeval. Wat een noodlot. Wat een misère. Dat krijg je er nou van als vaders en zonen vreemden zijn.¹ Ik wist meteen dat het dezelfde Marianne was. Voor sommige dingen hoef je geen private eye in te huren. Die weet je.
  Daar zat hij. Aan de bar. Op een barkruk. Ik had hem zo lang niet gezien. De ontroering drukte van binnen tegen mijn ogen en tegen mijn huid.
  Ik bestudeerde hem van een afstand. Ik leek op hem, dat zag ik meteen. Hij was een hele wijsgeer geworden zo te horen. Hij zat over de dood te kletsen, over de oneindigheid en over god, en hij kon maar niet ophouden over Galileo Galilei en Christoffel Columbus. Daar wist hij schijnbaar heel veel van. Lieve god, wat wist hij daar een hoop van. Wat een kletskous. En wat een neus.
  Ik wilde hem met rust laten. Ik was een tikje bang voor hem. Ik was bang dat hij ging zeggen:
  'Wat kom je hier doen, imbeciel?'
  En dan ik:
  'Maar ik ben je zoon.'
  En hij:
  'Dat kan me niks schelen.'
  En tegen het hele café:
  'Kijk hem eens aan, die imbeciel.'
  Ik was bang dat hij me belachelijk ging maken.
  Maar ik had geld nodig. Een geeltje was genoeg. Voor thee, voor sinaasappelen, een paar eitjes, een paar warme broodjes. Voor Marianne. Voor ontbijt.
  'Zeg het maar,' zei de barkeeper van Café Höhenwahn.
  'Een geeltje,' zei ik. Van de zenuwen.
 
  Herkende hij me? Of begon hij zomaar tegen me te praten als tegen de eerste de beste cafégast?
  Wat een grote woorden gebruikte hij.
  Ik deed net of ik alles begreep wat hij zei. Alsof ik van alles de diepere betekenis snapte. Ik knikte bij elk woord. Ik zei de hele tijd ja en amen. Ik deed alsof het allemaal gesneden koek voor me was. Maar ik begreep er niks van. En niet omdat ik te stom was. O, denk dat maar niet. Ik had al veel boeken gelezen voor mijn studie. Ik was niet achterlijk.
  Ik had nog nooit zoveel gedronken. Maar ik dacht: als ik de drankjes weiger, dan geeft hij me het geld niet. Dan kom ik straks met lege handen thuis. En daarom dronk ik alles op. Het ene glas na het andere, elke druppel. Ik werd er draaierig van. Elke keer als mijn vader lachte, lachte ik ook, nog veel harder dan hij. Het leek wel huilen als ik er eens goed over nadenk. Maar wat een neus. Mijn neus was kleiner. Ik wilde niet dat hij dacht dat ik een kleine Johannes had, zoals het spreekwoord zegt.
  Hoe langer zijn monoloog duurde, hoe moeilijker het werd om ertussen te komen en de zin te zeggen die ik in de tram geoefend had. De alcohol gaf me moed. Ik plantte mijn koevoet tussen zijn grote woorden in en wrikte en zei dat ik zijn zoon was.
Verdomd, nu zag hij het.

  Hij had geen geeltje voor me. Wel een tientje.
  'Waar moet ik zo gauw een geeltje vandaan halen?' zei hij, 'je denkt toch niet dat het geld me op de rug groeit?'
  Ik dacht van niet.
  Hij had een hart dat af en toe stopte met kloppen. Dat wist ik nog van vroeger. Dan hield het er even mee op. En daarna begon het weer.
  De eerste keer dat dit gebeurde woonde hij nog in dezelfde stad, in dezelfde straat en in hetzelfde huis als ik, lang geleden. Hij was de baas van de bustehouderfabriek. Hij was rijk. Hij wist precies hoe je bustehouders moest maken. Maar hij wilde liever een groot filosoof worden. Daarom rookte hij drie pakjes Caballero per dag.
  Zijn hart hield zomaar op met kloppen, midden op straat. Hij zakte in elkaar. Het was stil in de brede borst van de heer Lips, mijn vader.
  'Doorademen!' gebood mijn moeder.
  Er kwamen allemaal mensen omheen staan. Ze keken naar de grond, waar hij lag. Sommigen staken er een sigaret bij op.
  Later hield mijn moeder bij hoog en bij laag vol dat het hart wel een uur had stilgestaan, maar dat het bloed gewoon was blijven stromen door haar magische krachten – de magische krachten van mevrouw Lips.
  Niet lang nadat het hart weer was begonnen met kloppen zei mijn vader:
  'Nu ga ik weg en kom ik nooit meer terug.'
  Mijn moeder trok een schoen uit en gooide die met zoveel kracht tegen zijn hoofd dat er bloed uit kwam. Het was een schoen met een punthak.
  Mijn vader reed de stad uit. Hij zag een koe. De ogen van de koe leken wel wat op de ogen van god, vond hij.
  Mijn moeder gooide alle dingen weg die aan hem herinnerden. Toen ze daarmee klaar was – het duurde een dag en een nacht, ze deed het zorgvuldig – sloot ze de gordijnen van haar slaapkamer en ze bleef veertien dagen in bed liggen zonder een woord te zeggen.
  Op de vijftiende dag stond ze op. Ze deed de gordijnen weer open. Ze deed ook de ramen open. Ze bracht orde in de chaos van het huis en zette bloemen in de vaas. Ze maakte voor ons het fijnste gerecht dat ze kon bedenken.

¹ Oтцы и дети (spreek uit: Ottsy i Deti) – Vaders en Zonen, roman uit 1862 van de Russische schrijver Ivan Toergenjev

donderdag 14 november 2019

Piëta met hond (2) / Zeg het alsof je het meent




PIËTA MET HOND


2


Zeg het alsof je het meent






'Bijt me!'
  Ik wilde haar niet bijten. Geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht.
  Ze deed mijn mond naar de plek waar ze het wou.
  'Zachtjes bijten?'
  'Nee hard.'
  Dat was wel een tikje pervers van haar. Maar omdat ik haar lief vond, deed ik het. Alleen deed ik het niet hard. Ik deed het zacht.
  'Zeg dat ik een slet ben, een hoer.'
  Ik zei het.
  'Je zegt het niet goed. Je moet het zeggen alsof je het meent.'
  'Maar ik meen het niet. Ik vind je juist zo mooi.'
  Om haar hals hing een zilveren kettinkje met een kleine rode steen eraan. Het steentje fonkelde.
  Toen draaide ze zich om. Ze ging met haar rug naar me toe liggen. Ik geloof dat ze niet gelukkig was met de toestand. Ze zei dat ik nog veel moest leren. Toen viel ze in slaap. Dat kon ik voelen aan het losser worden van haar greep. We lagen midden in de zilveren maneschijn. In het zilveren licht.
  O, maan.
  Wat een mooie vrouw was Marianne. Ze was wel vijftien jaar ouder dan ik. Alleen, er was iets met haar. Dat wist ik toen nog niet. Het was puur toeval, midden in de zomer. Of geloof je niet in toeval? Nee? Dan heb je zeker alles goed geregeld. Alles netjes aan kant. De schone was mooi opgevouwen in de kast. Alle paperassen... Nou ja, het kan me niet schelen. Hier komt hoe de vork in de steel zat.

  Mijn vader woonde aan de overkant van de rivier. Aan de overkant van de de Amstel. Ik had hem al meer dan tien jaar niet meer gezien. Het leek me geen goed idee om hem op te zoeken. Hij zat er vast niet op te wachten.
  Maar ik dacht toen ik wakker werd: vandaag zoek ik hem op, voor geld. Een geeltje. Om een ontbijt te kopen voor Marianne. Dat was een mooie reden. Een edele reden. Hier komt je zoon. Na al die jaren. Voor geld. Voor Marianne.
  Wat een goed idee. Het kwam zomaar in mijn hoofd op. Mijn studiebeurs was altijd al halverwege de maand al op.
 Er zijn mensen waar het geld meteen op af vliegt zodra ze hun snoet maar ergens om de deur steken. Het vliegt uit ieders zakken. Bij mij was het precies andersom. Het geld vloog alle kanten op, behalve de mijne. 
Later zou ik schatrijk worden. Mijn verre toekomst heerste over me. Maar daar had ik helemaal geen weet van. Lange tijd beleefde ik alleen raadsels. Dit is dus het boek der raadsels.
  Ik stormde het huis uit. De trappen af. De straat op. Langs de bedelaar op de hoek van de straat. Hij had daar zijn domicilie.
  Maar wat was er met de bedelaar gebeurd? Hij was helemaal zilver geverfd en stond erbij als een standbeeld. De roerloosheid had hem te pakken.
  'Wat is er met je aan de hand?' vroeg ik. 'Het is toch hopelijk niet zo dat de roerloosheid je te pakken heeft, of wel?'
  Hij zei niks terug. Hij knipperde niet eens met zijn ogen.
  Voor de zekerheid gooide ik toch maar een muntstuk in zijn hand. Toen kwam hij met een schok in beweging. Precies als een robot. Hij bukte zich en nam zijn zilveren hoed af. Er kwam geen witte duif uit de hoed.
  Hij had een act gemaakt van zijn armoede. Hij was opeens geen bedelaar meer. Hij was een entertainer geworden. Toen knipoogde hij naar me. Hij stond op een kist.
'Je bent een slimme kerel,' zei ik, 'echt een sluwe vos, en daarom geef ik je nog een muntstuk, mijn allerlaatste, hier.'
  Hij zei niks terug. Hij was alweer aan zijn roerloosheidsact begonnen.