dinsdag 24 maart 2020

De nieuwe woorden liggen te drogen bij de kachel

De Stad der Dromen (Wenen)
Teleïsch
en tithemisch
zijn nieuwe woorden die ik gisteravond heb gekneed uit de klei van de taal. 
Ze liggen hier nu te drogen bij de kachel.

De nieuwe woorden betekenen allebei: betreffende het doen.
Daar bestaat nog geen woord voor in het Nederlands.¹

Mijn twee nieuwe woorden zijn Grieks van oorsprong.
Teleïsch komt van τελεω (teleo ˗ doen).
Tithemisch komt van τῐ́θημῐ (tithèmi ˗ doen).
Het zijn dus geen fantasiewoorden.  

Ik zal een brief schrijven aan Van Dale's Groot Woordenboek der Nederlandse Taal dat deze woorden in onze taal ontbreken, dat ik ze heb uitgevonden en of ze erin geïnteresseerd zijn om ze te kopen en in hun woordenboek te plaatsen.
Ik vroeg aan M., die in de wijk Spittelberg in Stad der Dromen woont en veel verstand heeft van financiën, welke prijs ik voor mijn nieuwe woorden moet vragen en hij noemde een mooie prijs. Ook zei hij desgevraagd dat hij tithemisch robuuster vindt dan teleïsch.

¹
Betreffende het horen is: auditief. Betreffende het zien is: optisch of visueel.  Betreffende de afstamming is: genealogisch. Betreffende het zijn is: ontologisch. Etcetera.

maandag 23 maart 2020

Een kleine geschiedenis van kraan nr. 2868

De kraan

In het jaar dat de havenkraan op mijn pad kwam, in 2009, was ik eenenvijftig jaar. De kraan, de economie en ik waren er toen alledrie niet best aan toe. Om met Dante Alighieri te spreken, de middeleeuwse Italiaanse dichter van de befaamde Goddelijke Komedie:   

In het midden van mijn levensweg bevond ik me in een donker woud, want de rechte weg was verloren gegaan. Ach, hoe zal ik zeggen hoe zwaar het was. Wat was dit woud woest en ruw en ongastvrij.

Tot zover de dichter Dante Alighieri, die leefde van 1265 tot 1321. 
Ik was bezig met het schrijven van een boek, maar het schoot niks op. Hoewel mijn laatste boek op de illustere longlists stond van verschillende literaire prijzen, kocht niemand het. In Maastricht kreeg je er drie voor de prijs van één plus een paar sokken. Op Nieuwsuur zag ik hoe mijn boek de shortlist niet haalde en hoe ik 50.000 euro mis liep.
Ik ging op zoek naar iets nieuws, iets groots om te doen. Maar wat?
In mijn familie is het overigens vrij gewoon om in een woest en ruw en ongastvrij woud te belanden, om met Dante te spreken. Van huis uit hebben we daar een zeker talent voor. Maar niemand ligt er wakker van. Ja, het verschijnsel "slapeloze nacht" is in mijn familie volslagen onbekend, wat ik – bij alle verdere tekortkomingen – zonder meer een voortreffelijke, ja zelfs een aristocratische eigenschap vind.
Het vermogen om onder alle omstandigheden lekker te slapen lijkt me een teken van gezonde onverschilligheid ten opzichte van het eigen lot. Het getuigt van een zekere bereidheid om op antiek-tragische wijze het noodlot te omarmen – van amor fati, om met de gazeuse professor Nietzsche te spreken.
Het idee om de havenkraan van de ondergang te redden door er een hotel van te maken, kwam niet precies in mijn eigen hoofd op, maar in het hoofd van P. Ik stond vlak naast hem toen hij het idee kreeg. Het is dus zo dat het idee opkwam in het hoofd naast mij, in plaats van in mijn eigen hoofd.
Het scheelde niet veel, zullen we maar zeggen.
P. had ook meteen de opmerkelijke, typisch Péïsche, slogan paraat waarmee het plan onder de aandacht gebracht diende te worden, namelijk:  

Elke hotelkamer heeft een kraan, maar
niet elke kraan heeft een hotelkamer.
 

Dat werd het motto waaronder we aan de slag gingen.
Ik had nu iets groots om te doen: het redden van Figeekraan nr. 2868, de laatst overgebleven havenkraan van het Amsterdamse Oostelijk Havengebied. Een roestende grijze eminentie die – als er niks gebeurde – binnen afzienbare tijd van verwaarlozing en ijzermoeheid zou instorten.
Om het plan te lanceren organiseerden P. en ik een "feestelijke, chaotische, constructieve en kraanbehoudende avond" op de KNSM Sociëteit (die we zelf hadden opgericht). We aten die avond: 

Pompoensoep
Varkensfilet met een frisse citroen/salievulling, fondante krieltjes en seizoensgroenten
Tiramisu
 

Daarna zetten we het, zoals te doen gebruikelijk, tot diep in de nacht op een drinken.
Een nieuw leven van vergaderen begon.
Om eerlijk te zijn had ik nog nooit eerder in mijn leven vergaderd. Volgens de schrijver Karel van het Reve is vergaderen voor de talentlozen.
"Vergaderen is voor de talentlozen," schreef hij.
Niets bleek minder waar!
Ik had zelden zoveel plezier gehad, zelden zoveel voor elkaar gekregen als nu ik behoorde tot de mensen die vergaderen. De ene vergadering was nog niet voorbij of er diende zich alweer een volgende aan.
Was het trouwens niet handiger, bedacht ik na een aantal jaren vergaderen, als de vergadertafels naar ons toe kwamen in plaats van andersom?
Ik zag tafels voor me die door de gangen van bedrijven renden, op weg naar een vergadering. Tafels die door de straten van de stad renden. Tafels die trappen op en af renden. De telgang van paarden leek me voor vergadertafels zeer geschikt.
Ik begon, met andere woorden, zo langzaamaan genoeg te krijgen van vergaderen. Het was inmiddels 2015, ik was nu zes jaar bezig met het kraanhotel (P. had er de brui aan gegeven) en het was nog steeds niet zeker of het project zou doorgaan. De kogel was nog steeds niet door de kerk. Nog steeds was het mogelijk dat alle moeite, al het werk voor niks was. Al het werk, van iedereen die er in de loop der jaren bij betrokken was geraakt: het werk van de juristen, van de ambtenaren, de wethouders, de architecten, de aannemers, de investeerders, de ingenieurs, de adviseurs, de havenautoriteit – alles voor niks. De zee zou zich sluiten boven ons plan en het zou zijn alsof er niks gebeurd was. 
Het vreemde is dat er eigenlijk nooit een moment is geweest in al die jaren van vergaderen dat ik dacht: nu zijn we klaar, nu is het gelukt, nu gaat het door. Ik had het gevoel dat ik gedoemd was om voor altijd te blijven te vergaderen.

En toen, even plotseling als ik het hier nu zeg, in januari 2016, werd de kraan van de kade gelicht en naar Friesland gevaren. Twee jaar later kwam hij terug als nieuw.
Deze kraan, dit schitterende bouwwerk dat me vanaf de allereerste keer dat ik hem zag deed denken aan de beroemde, gigantische, nooit gebouwde constructivistische staatsvergadertoren van Vladimir Tatlin, deze oude Figeekraan nr. 2868 op de Surinamekade aan het IJ, "t.o. nummer 34", deze mij dierbare oude topkraan, ook wel portaalkraan genoemd en soms ook wipkraan, die net zo oud is als ik, uit hetzelfde jaar is als ik, namelijk uit 1958 – deze kraan heeft mij gered nadat ik hem had gered.
Ik ben kraan nr. 2868 daarvoor heel dankbaar. 

Dit stukje is een fragment uit een lezing.
Zie hier het kraanhotel (en hier).

zaterdag 21 maart 2020

Morgen moet iemand een taart bakken

Taart (droom)
Midden in de nacht werden we opgeschrikt door een dringende oproep uit de slaapkamer van M.: "Morgen moet iemand een taart bakken!"

vrijdag 20 maart 2020

Ik stond midden in de nieswolk

Foto en wolk: Berndnaut Smilde
Ik moest geweldig niesen. Het ging van: "Háááá... tsjóé!"
Alle anderen hadden al dekking gezocht, maar ik stond midden in de nieswolk. 
Zou er zoiets bestaan als zelfbesmetting? Met het coronavirus bedoel ik. Tenslotte bestaat er ook zelfbevruchting.
Voortaan houd ik anderhalve meter afstand tot mezelf. 
Op het belangrijke terrein van de hygiënische distantie kun je nu niet streng genoeg zijn voor jezelf.

woensdag 18 maart 2020

Zo is de omgekeerde wereld

Koperen deurbel
Over een tijd komt er een lockdown.
Dit in verband met het coronavirus.
Dan mag je niet meer de straat op zonder toestemming van de autoriteiten.
Dan zit de deurbel aan de binnenkant van je huis en moet je aanbellen om naar buiten te mogen.
Ringgg! 
Zo is de omgekeerde wereld.

Het is goed om aan boeken te ruiken

Langs het IJ naar huis

Ik was naar de stad om een boek te kopen. Ik fietste via het Waterlooplein en de Munt.
Ik kon zonder gevaar door het rood en het groen van de stoplichten fietsen alsof het nacht was of oorlog
(oorlog heb ik niet meegemaakt maar nacht wel).
Ik kon op de Wibautstraat gaan liggen.

In boekhandel Athenaeum op het Spui was één klant.
Dat was ik.
Ik hield anderhalve meter afstand tot het winkelpersoneel. 

Tot de boeken hoefde ik geen afstand te bewaren. 
Ik pakte het boek dat ik wilde kopen uit de kast en rook eraan. Het is goed om aan boeken te ruiken. Als de geur je niet bevalt kun je het beter niet kopen. Het boek rook lekker en ik kocht het. 

Ik fietste terug naar huis via de Dam en het Centraal Station en langs het IJ. Er kwam vanzelf een lied van Ramses Shaffy in m'n hoofd en ik zong het.
Het is stil in Amsterdam,
de straten zijn verlaten,
oho, ohoho!

De zon scheen en het rook lekker. Het was lang geleden dat de stad zo mooi en helder was op klaarlichte dag en zo geurig en stil en zacht onder de voeten bijna als mos.

vrijdag 13 maart 2020

Er staan alleen nog een paar beschadigde blikken

Een blik gepelde tomaten
De bewoners van mijn stad zijn aan het hamsteren. 
Dit in verband met het coronavirus.
Er ligt nog maar weinig voedsel in de schappen en alle blikken tomaten zijn op. Er zijn alleen nog beschadigde blikken (die zijn mogelijk te min voor de hamsteraars).

dinsdag 3 maart 2020

Waar het over gaat

De god van het juiste moment (Kairos)
Alles bevindt zich aan de oppervlakte, zowel temporeel als ruimtelijk. Alles is hier en alles is nu.
Dit is mijn onbekrompen hier en nu.
Ik ben een oppervlaktewezen.

Maar verdorie, wat zit ik nou te kletsen! 
Vandaag moet ik echt beginnen aan de openingsrede voor de Dolce far Niente Academie! 
De opening van het academisch jaar is al over twee weken en ik heb nog geen letter op papier gezet.
En ik moet ook nog de hele compositie 4'33'' van John Cage instuderen met P.

Waar het allemaal over gaat?
O, nergens over.

maandag 2 maart 2020

Het is voor mijn lever

Coronavirus van glas

"Ik heb zin om te zuipen."
Dit zei ik vandaag tegen M. (47).

Zij is vijftien jaar jonger dan ik.
Zij is nog een jonge bloem.
Zij is door corona niet in levensgevaar.

"Kun je bier waar geen alcohol in zit eigenlijk wel zuipen?" vroeg ze.
Een goed punt. 
Zuipen is een alcoholhoudend woord, net als tempelier en proost. 

Ik drink nu een maand en twee dagen geen alcohol. Nog zestien dagen te gaan.
Een heel vocabulaire raakt in de versukkeling.
G
een alcohol drinken is niet moeilijk voor mij. Ik doe het voor mijn lever, die vergevingsgezinde.

Doen wij soms iets verkeerd?

Venetiaans carnavalsmasker (Alles was tief ist, liebt 
die Maske
– Nietzsche)
Hebben
de groteske¹ islamitische en joodse reacties op de spotprenten van Kurt Westergaard en het carnaval van Aalst misschien een andere oorzaak dan onze vrolijke, vrijgeestige, carnavaleske, irritante Europese spotlust?
De American Jewish Committee en het CIDI hebben voorschriften voor het spotten.
"Goedendag, spreek ik met de afdeling spot van de American Jewish Committee?"
"Daar spreekt u mee."
"Ah, goedendag, ik wou graag Harvey Weinstein bespotten."
"Dat kan. Heeft u hem – of ons – al eens eerder bespot?"
"Eh, nee, nog nooit. Dit is m'n eerste keer."
"Waar zat u aan te denken?"
"Nou, ik wou hem lelijke dikzak noemen." 
"Dat kan, maar het is wel een beetje pijnlijk voor de heer Weinstein om bespot te worden om zijn uiterlijk. Zo zijn de nazi's ook begonnen. Wij suggereren dat u hem onaardige meneer noemt."
Spot die niet een beetje pijn doet is geen spot, dat is een vorm van aaien. Moeten islam en jodendom zich niet eens voorzichtig de vraag stellen, nu in Europa cartoonisten en carnavalvierders naar het leven worden gestaan: doen wij soms iets verkeerd? Dat is een moeilijke vraag om te stellen en om te beantwoorden. Voor iedereen, en zeker voor monotheïstische religies met een ene en enige god.
Ook het christendom is monotheïstisch en oorspronkelijk niet Europees. Het monotheïsme komt uit heet en droog gebied en heeft Europa, toen het in Griekenland aan land kwam, in een duizend jaar durende depressie gestort (door de Engelsen heel toepasselijk The Dark Ages genoemd).
Europa is sappig en groen en koel – een oase, in woestijntermen. Dat is geen vruchtbare omgeving voor verhitte goddelijke visioenen. In de oase drink je water.
Europa is poly-, pan- of zerotheïstisch (antiek, heidens). Het huwelijk tussen Europa en het monotheïsme is nooit erg gelukkig geweest. Er is altijd veel huiselijk geweld aan te pas gekomen. De vooruitgang is in verzet tegen het monotheïsme ontstaan en voltrokken.
De wetenschappelijke revolutie (Galileo, Harvey, Columbus), de artistieke en "genealogische" revolutie (Renaissance) en de waardenrevolutie (Verlichting)
zijn antiek, heidens, poly, pan, non.
Je moet wel dumm wie Thierry zijn om de Europese beschaving "joods-christelijk" te noemen.² 
Onder de zware monoliet van het christendom komen de laatste decennia, schuchter en knipperend tegen het zonlicht na millennia van donkerte en verplettering, de oude Europese goden en liefdes weer tevoorschijn gekropen: de natuur, het lichaam, de vrouw, het water, de lucht, het bos, de dieren, de metamorfose, de vrolijkheid, de lichtvoetigheid, de onbezorgdheid, de dans, de sport. De Europese Unie spendeert de komende jaren maar liefst duizend miljard euro aan de wederopbloei van deze oude goden en liefdes. Een Perikleïsch plan!
Het Europese christendom heeft niet meer de kracht tot onverzoenlijkheid, tot inquisitie. Het is simpelweg verkwijnd in het gematigde Europese klimaat (voor religieus fanatisme is hier te veel water en te weinig dorst). Laat Europa zich toch niet onderwerpen aan nieuwe onverzoenlijken. Gisteren zei een jongen op tv: "Al duizenden jaren vereren we een onzichtbare god. Maar mijn god is de natuur, de aarde. Daar kom ik uit voort en daar ga ik naar terug."
Een paar eeuwen geleden had hij die uitspraak niet overleefd. Het zichtbare, ruikbare, hoorbare, proefbare en tastbare vereren was ketterij.
Later meer, ook over die onaardige meneer! 

¹ Typering door de burgemeester van Aalst.
² Dumm wie Thierry is een Duitse zegswijze, mogelijk verwijzend naar Thierry Baudet.

donderdag 27 februari 2020

De omgekeerde wereld duurt nog een paar dagen voort

Venetiaans carnavalsmasker (Alles was tief ist, liebt 
die Maske
– Nietzsche)
"Wij hebben het gehad met die groteske beschuldigingen."
In de carnavalsoptocht van Aalst hobbelden joodse karikaturen mee.
De Israëlische regering en de American Jewish Committee beschuldigden de optocht van nazisme en antisemitisme.
Deze beschuldigingen noemde de burgemeester van Aalst grotesk.
Toegegeven, de Aalster karikaturen zijn ook niet naar mijn smaak. Maar dit zijn de Zwietjollekes, de Vismooil’ns.
Dit is carnaval.
Het Westen is niet antisemitisch. Het oude volk is vrijwel overal in het Westen welvarend en invloedrijk.
Misschien ga ik een brief schrijven aan mevrouw Azulai.
Zij is de directeur-generaal van Unesco.
Zij is joods.
Een beschaving die de bescherming van haar erfgoed toevertrouwt aan mevrouw Azulai kun je moeilijk antisemitisch noemen.
Later meer, want het carnaval is nog niet voorbij. De omgekeerde wereld duurt nog een paar dagen voort.
Nu moet ik eerst boodschappen doen.
We eten vanavond: soep.

dinsdag 25 februari 2020

Ach, ach, wat een verstandig menneke

Jonge gans
Omdat ik in de vorige twee stukjes over het Aalster carnaval zo hoog van de toren heb geblazen over de schrijver en arts François Rabelais, die leefde van 1483 tot 1553, trakteer ik jullie nu op een van mijn geliefde hoofdstukken uit Rabelais' boek Gargantua en Pantagruel, namelijk het toepasselijke, want extra carnavaleske en extra wetenschappelijke hoofdstuk 13, getiteld:
Hoe Grandgousier de verbazende intelligentie van Gargantua ontdekte door de uitvinding van de billenveger.
Ik heb het helemaal overgetypt uit de vertaling door J.M Vermeer-Pardoen (uitgeverij van Gennep, 1995), dus ga het maar gauw lezen, anders is al dat werk voor niks geweest. Het is de moeite waard, dat beloof ik. Rabelais is niemand minder dan de Mozart van de literatuur!


13

Hoe Grandgousier de verbazende intelligentie 
van Gargantua ontdekte door de uitvinding 
van de billenveger


Tegen het einde van zijn vijfde jaar kwam zijn vader Grandgousier thuis van een oorlog waarin hij de Kanariërs had verslagen, en hij ging meteen kijken hoe het met zijn zoon Gargantua ging. Hij was heel blij, zoals je dat kunt verwachten van een dergelijke vader wanneer die ziet dat hij zo'n zoon heeft, en terwijl hij hem zoende en in zijn armen nam, stelde hij hem allerlei vraagjes over van die kleine dingetjes. En hij dronk er een lekker glas op met hem en de kindermeisjes, aan wie hij onder andere heel bezorgd vroeg of ze hem wel netjes schoon hadden gehouden. Hierop antwoordde Gargantua dat hij ervoor had gezorgd dat er in het hele land geen properder jongetje was dan hij.
    "Hoe dat zo?" vroeg Grandgousier.
    "Ik heb," antwoordde Gargantua, "door middel van een langdurige, zorgvuldige proefneming een manier gevonden om mijn gat af te vegen, die zo vorstelijk, zo uitstekend en zo afdoend is, dat men iets dergelijke nog nooit eerder gezien heeft."
    "Hoe dan?" vroeg Grandgousier.
    "Dat ga ik u nu vertellen," zei Gargantua.
    "Ik heb eerst mijn gat afgeveegd met een fluwelen maskertje van een dametje, en dat vond ik lekker, want de zachte zijden stof gaf een heel plezierig gevoel daar van onderen;
    een volgende keer deed ik het met een kaproen, ook voor de dames, en het resultaat was hetzelfde;
    een andere keer weer met een halsdoek;
    later nog eens met de afhangende stukken van een kaproen van karmozijn satijn, maar dat stinkverguldsel dat erop zat schuurde het hele vel van m'n achterwerk; het sint-antoniusvuur mag de aars doen branden van de goudsmid die de kaproen heeft gemaakt, en ook de reet van de vrouw die hem heeft gedragen!
    Die pijn ging over toen ik m'n billen veegde met de muts van een page, waar een mooie pluim op stak, echt op z'n Zwitsers.
    Toen ik een keer achter een bosje zat te schijten, vond ik een maartse kat; daar veegde ik m'n gat mee af, maar door z'n nagels raakte m'n hele bilnaad ontstoken.
    Daarvan genas ik de volgende dag door m'n billen af te vegen met de handschoenen van mijn moeder, die heerlijk roken naar kaasjeskruid.
    Daarna veegde ik m'n gat af met salie, venkel, dille, marjolein, rozen, de bladeren van een pompoen, van een kool, van bieten, van een wijnrank, met heemst en wolkruid (ook wel billenrood genaamd), met slabladen en met spinazie ˗ dat was allemaal Naadje Klapdeksel ˗, met bingelkruid, vlooienkruid, brandnetels en smeerwortel; maar daar kreeg ik de Lombardijse bloedpoep van, waar ik weer van genas door m'n gat af te vegen met m'n gulp.¹
    Verder heb ik m'n gat afgeveegd met beddenlakens, een deken, gordijnen, een kussen, een tapijt (een groen nog wel), een stofdoek, een servet, een zakdoek en een kapmanteltje. En van dat alles genoot ik meer dan een schurftlijder wanneer hij met de roskam wordt bewerkt.
    "Da's mooi," zei Grandgousier, "maar welke billenveger vond je nou de beste?"
    "Dat wilde ik net gaan zeggen," zei Gargantua, "en u krijgt er zo dadelijk het tu autem² van te horen. Ik heb m'n gat geveegd met hooi, stro, hennep, poetskatoen, wol en papier. Maar 
    Al wie zijn gat veegt met papier
    Vindt aan zijn ballen 't souvenir."
    "Wat nu!" zei Grandgousier. "Pikkie-van-me, heb je soms een gaatje in je hoofd, dat je nu al aan het dichten slaat?"
    "Ja, wis en waarachtig, sire,"antwoordde Gargantua, "ik dicht dat het een lieve lust is. En soms ben ik zo aan het dichten, dat m'n hele kop dicht zit. Luister maar eens naar wat onze plee zegt tegen de schijters:
     Ge schijt
     En zijt
     Verblijd.
     Een kreet:
     'Jolijt
     Ten spijt,
     Ik lijd:
     Die scheet
     Was heet 
     En sneed
     M'n reet.'
     Krijg nou het sint-antonievuur!
     Hij gleed
     Discreet
     In 't secreet
     En ge veegt uw gat wel een uur.
"Wilt u nog meer horen?"
"Ja vanzelf," antwoordde Grandgousier.
"Daar komt-ie dan," zei Gargantua:
    "RONDEEL
    Toen ik laatst weer eens te kakken zat,
    Rook ik het geurtje van de stront,
    Dat ik beslist niet lekker vond:
    Ik ging van mislijkheid haast plat,
    Ach, had ik maar iemand gehad,
    Die mij de lang verwachte zond,
    Bij 't kakken!
    Dan had ik haar plasgat gevat
    En dat, op mijn manier, terstond 
    Behandeld, terwijl zij mijn kont
    waste van wat daar nog aan zat
    Van 't kakken.
Zeg nou zelf maar eens dat ik van niks weet! Maar gedderrie! Ik heb die versjes niet zelf gemaakt, maar toen ik ze hoorde opzeggen door die grote mevrouw die u hier ziet, heb ik ze in het ranseltje van mijn geheugen geborgen."
    "Laten we nu maar weer naar ons onderwerp terugkeren," zei Grandgousier.
    "Welk onderwerp," vroeg Gargantua, "schijten?"
    "Nee," zei Grandgousier, "je gat afvegen."
    "Trakteert u op een vaatje Bretonse wijn, als ik u op dit punt even paf laat staan?"
    "Beloofd," zei Grandgousier.
    "Je hoeft je gat alleen maar af te vegen als er stront aan zit," zei Gargantua, "en er kan alleen maar stront aan zitten als je gescheten hebt: je moet dus eerst schijten, voordat je je gat afveegt."
    "Ach, ach, wat ben jij toch een verstandig menneke," zei Grandgousier. "Een dezer dagen zal ik je laten promoveren tot doctor in de vrolijke wetenschap, want je bent verdomd verstandig voor je leeftijd. Nou, alsjeblieft, ga verder met dat billenveegverhaal. Bij mijn baard, in plaats van een vaatje krijg je zestig pijpen, en dan bedoel ik wel van die prima Bretonse wijn, die helemaal niet uit Bretagne komt, maar uit de goede streek van Verron."
    "Daarna," zei Gargantua, "veegde ik m'n gat af met een hoofddeksel, een beddenkussen met iene pantoefel, met iene weitas, met een mandje - maar dat was een heel onplezierige billenveger! - en dan nog met een hoed. En dan moet u wel bedenken dat de ene hoed kaal is, de ander harig, een derde zacht als fluweel, een volgende glanzend als zijde, en weer een andere zacht als satijn. De beste van allemaal is die harige, want daarmee kun je de poepresten het best verwijderen.
    Vervolgens veegde ik m'n gat met een kip, een haan, een hennetje, een kalfsvel, een haas, een duif, een aalscholver, een pleitzakje, een bivakmuts, een karbiesje en een leren lokvogel.
    Maar concluderend zeg ik en houd staande, dat er geen betere billenveger is dan een lekkere, donzige, jonge gans, als je tenminste z'n kop tussen je benen houdt. Erewoord! Want aan je aars ervaar je een wonderzoet gevoel, zowel vanwege het zachte dons als door de aangename warmte van de jonge gans, die gemakkelijk doordringt in de endeldarm en de andere ingewanden en vandaar zelfs de hartstreek bereikt en de hersenen. En denkt u maar niet dat de gelukzaligheid der heroën en der halfgoden, die zich in de Elyzeese velden bevinden, haar oorsprong vindt in hun asfodillen of in hun ambrozijn of nectar, zoals die ouwe wijven hier beweren. Ik ben ervan overtuigd, dat die gelukzaligheid het gevolg is van het feit dat ze hun gat afvegen met een jonge gans, en dat is ook de mening van meester Jan van Schotland."³


¹ Bedoeld wordt waarschijnlijk een broekklep (Eng: codpiece); de gulp die wij kennen bestond nog niet in de tijd van Rabelais (en je kunt er ook je billen niet mee schoonvegen).

² Uitdrukking die gebruikt werd door geestelijken, om aan te geven dat het laatste woord ergens over gezegd was. De uitdrukking is afkomstig uit de liturgie. Na elke lezing van het Evangelie zong men namelijk: Tu autem, Domine, miserere nobis. Gij echter, Heer, erbarm U over ons.
³ Johannes Duns Scotus, een beroemde scholastieke geleerde uit de dertiende eeuw. Rabelais spot vaak met zijn moeilijk te begrijpen ideeën.

maandag 24 februari 2020

Een Aalstenaar lacht met alles

Venetiaans carnavalsmasker (Alles was tief ist, liebt 
die Maske
– Nietzsche)

In het jaar 2006 maakte Kurt Westergaard
de Deense cartoonist een spotprent van de profeet Mohammed.
Hij ontving veel doodsbedreigingen.
Hij moest verder leven op schuiladressen.
In 2010 drong een moslim zijn schuilplaats binnen met een mes om hem te vermoorden.
Hij overleefde het.
Hij stopte met tekenen.
Veel collega's van hem stopten ook met tekenen.
De praalwagens met de joodse karikaturen hobbelden gisteren vrolijk mee in de carnavalstoet ondanks dreigementen.
Dit is hoopvol en in de geest van Europa's vrolijkste wetenschapper en circusdirecteur van de omgekeerde wereld François Rabelais.
Het is niet in de geest van Rabelais dat er in Europa mensen zijn die niet bespot mogen worden op straffe van moord (mes, bijl) of karaktermoord (nazi, antisemiet). Over de moord en karaktermoord op Theo van Gogh later meer in m'n carnavaleske hoofdwerk Het Niets, het Ene, het Vele en Alles.¹
Het is jammer dat de internationale organisatie Unesco heeft besloten het carnaval van Aalst van de lijst van immaterieel erfgoed te schrappen.
Daarmee haalt Unesco spot en zelfspot van de lijst, wat niet bevorderlijk is voor het goede humeur op de planeet.
Misschien ga ik een brief schrijven aan
mevrouw de directeur-generaal van Unesco, met het verzoek om spot en zelfspot weer terug te plaatsen op de lijst van onstoffelijke planetaire kostbaarheden.
De burgemeester van Aalst, een waardig erfgenaam van Rabelais, zei: "Wij hebben het gehad met die groteske beschuldigingen."
De eigenaar van de plaatselijke carnavalswinkel zei: "Een Aalstenaar lacht met alles."
Het carnaval als schatbewaarder van de Europese vrijheden – wie had dat gedacht? Nou, François Rabelais, distilleerder van kwintessens! 

 ¹ Uitgeverij Opera Non Scripta, d.d. in 't jaar één als de uilen preeken.

zaterdag 22 februari 2020

Als je bestaat loop je het risico bespot te worden

Venetiaans carnavalsmasker (Alles was tief is, liebt 
die Maske
–
Nietzsche)

De Israëlische minister van buitenlandse zaken Yisrael Katz zegt: "Het komende carnaval in de Belgische stad Aalst moet verboden worden omdat er op de praalwagens van de optocht joodse karikaturen meerijden."
De burgemeester van Aalst Christophe D'Haese zegt: "Minister Katz lijkt niet te begrijpen wat een vrije samenleving is. Het is niet aan een buitenlandse minister om te bepalen wat in Aalst wel en niet mag. Dat zal ik zelf wel bepalen."
Ik zeg: als je bestaat, loop je het risico bespot te worden, met name in tijden van carnaval. Spot en zelfspot zijn de kwintessens van carnaval. Het Midden-Oosten kan wel wat carnaval gebruiken.
Je kunt het carnaval ook meemaken zonder te zuupen en te dausen, namelijk door de boeken van Gargantua en Pantagruel te lezen, in vroeger dagen opgetekend door meester Alcofribas, distilleerder van kwintessens, oftewel François Rabelais.¹
De optocht in Aalst is morgen, zondag 23 februari. Zullen de karikaturen erin meerijden? Of niet? Wordt vervolgd.

¹ Over het belang en de betekenis van carnavaleske spot en zelfspot is helder geschreven door de Russische filosoof Michail Bakhtin in het boek Rabelais and his world (1968).