vrijdag 22 november 2019

Piëta met hond (11) / Kees en professor Brill




PIËTA MET HOND


10


Kees en professor Brill





Om het stoppen met roken gemakkelijker te maken moest ik af en toe hardop en langzaam tegen mezelf in de spiegel zeggen:

Ik ga stoppen met roken

  Dat had ik in een boek over stoppen met roken gelezen. Verder stond er in het boek dat het leven me ging toelachen als ik eenmaal gestopt was. Er zou geen vermoeide blik meer in mijn ogen zijn en mijn huid zou weer zacht en glad worden als de huid van een pasgeborene. Ik ging opstaan met de zon en de vogels. Ik ging mijn tijd voortaan zeer nuttig besteden. Ik zou als herboren zijn. Mijn wilskracht zou een voorbeeld zijn voor iedereen. Mijn kleren zouden fris ruiken als de kleren van een jonge boswachter en mijn zwarte longen zouden weer rood worden. Ja, ik zou zo zuiver worden als een beekje in de bergen. En geholpen door een shampoo van het merk Sudden Youth zouden mijn haren weer gaan glanzen. Mijn gedachten zouden oneindig helder zijn, als glinsterende vissen die opspringen uit het water. Ik zou weer energie krijgen en zin krijgen in hardlopen op hardloopschoenen (ook van Sudden Youth). En de mensen die me zagen hardlopen in het park zouden zeggen: kijk eens wat een geweldige conditie die frisse, energieke jongeman heeft. Kortom, ik ging leven als een bloem die bloeit, als een hert in het bos, als een adelaar in de lucht. Wat een geweldig leven kwam er voor me aan, wat een gelukkig leven. 
  Aldus het boek.

  Onderweg naar het uitzendbureau kwam ik Kees tegen.
  Als ik de straat op ging was er een zeer grote kans dat ik hem tegenkwam. Ik wist niet hoe dat kon. Het was iets wonderlijks.
  Hij zat op boksen. Hij was erop gegaan, zei hij, om meer mannelijkheid uit te stralen. De knokkels van zijn handen zaten vol wonden en korsten van het slaan tegen de boksbal. Hij kon goed voetballen en daarom had ik hem een leren voetbal gegeven voor zijn verjaardag. Meisjes en vrouwen die hem zagen werden direct verliefd op hem. Ze stopten briefjes met hun namen en adressen in zijn zakken. Als we thuiskwamen na een wandeling door de stad zaten er altijd wel een paar in.
  'Hé, wacht even!' riep een jonge vrouw naar ons.
  We stopten. We kenden haar niet.
  'Hier heb je m'n naam en adres,' zei ze tegen Kees. Ze gaf hem een opgevouwen briefje. 'Je mag langskomen wanneer je maar wilt.'
  Zo dus.
  Kees pakte het briefje aan. Hij keek niet verliefd terug. Dat deed hij nooit. Thuis bewaarde hij de briefjes in een schoenendoos. Een schoenendoos vol verliefdheid en telefoonnummers. Ik denk dat hij de enige was in de hele stad die de verliefdheid gewoon kon bellen.
  Toen begon Dadias d'Arbrisseau aan de riem te trekken en rondjes te draaien ten teken dat hij, nou ja, zijn behoefte wilde doen.
  'Nee, Dadias, niet hier. Niet midden in de Leidsestraat.'

  'Wat zullen we gaan doen?' vroeg Kees.
  'Ik weet het niet,' zei ik, 'ik moet nu eerst naar het uitzendbureau, voor werk, voor geld. Ik heb dingen te betalen en m'n geld is op.'
  'Heb je zin in een viskoekje?'
  Ik had nog nooit een viskoekje gegeten. Het klonk kinderlijk vond ik, ongeveer zoals zandgebakje of chocoladesigaret.
  In de verte zag ik professor Brill aankomen met grote passen en wapperende jaspanden.
  Hij leek sprekend op professor Nietzsche.
  Ken je professor Nietzsche, de filosoof met de hamer? Hij sloeg alles kort en klein en daarna werd hij gek, een aansprekende carrière.
  Professor Brill had net zo'n snor als professor Nietzsche en hij droeg net zulke fraaie pakken. Hij had gedronken. Hij had een alcoholprobleem. Soms was hij een tijdje in de war. Het waren dipsomane tijden. Door de komeet was de drankzucht nog toegenomen. De komeet had notabene het Neolithicum nog meegemaakt.
  Professor Brill had een fles in zijn hand die hij steeds aan zijn mond zette. Wat zaten zijn haren wild! En zijn linnen zomerpak – het zat onder de vlekken.
  'Kees, daar komt professor Brill aan.'
  'Nou en?' vroeg hij.
  'Wel, als hij me ziet, dan wil hij met me praten en drinken en daar heb ik nu geen tijd voor. Vlug, de supermarkt in.'
  We doken de supermarkt in en hielden pas halt op de afdeling vlees, achterin.
  'Wil je een plakje beenham?' vroeg Kees.
  'Jawel,' zei ik, 'en Dadias d' Arbrisseau lust ook wel een plakje. Toch, Dadias?'
  'Woef!' zei hij. Het kwam er een beetje bekakt uit. Nou ja, hij was dan ook van de allerhoogste adel.
  Kees maakte het pakje beenham ter plekke open.
  'Het is vooral lekker met een asperge erin,' zei hij.
  Hij draaide een pot asperges open en rolde een paar asperges in de beenham.
  'O, en kijk, Hongaarse worst. Wil je daar ook wat van proeven? En hou eens op met aan je neus te zitten de hele tijd. Ik word er zenuwachtig van. Je weet toch wat ze zeggen over mensen die voortdurend aan hun neus zitten. Dat zijn leugenaars. Ben je al gestopt met roken?'
  Overal in de supermarkt hingen bolle spiegels. Ik zag dat professor Brill de supermarkt in kwam. Het donderde en bliksemde om hem heen. Hij was niet in een goede stemming. Mensen stoven uiteen. Toch was hij een allerhoffelijkste man.
  'Kees, daar heb je professor Brill weer. We moeten weg.'
  We aten alle beenham, asperges en Hongaarse worst op en Kees nam één lege verpakking mee naar de kassa.
  'Weet je wat echt klaarkomen is?' vroeg Kees toen we in de rij stonden. Hij wachtte mijn antwoord niet af. 'Echt klaarkomen is klaarkomen door het kloppen van je eigen hart.'
  Ik wist niet wat ik daar op moet zeggen, dus veranderde ik maar van onderwerp.
  'Wat doet jouw vader eigenlijk?' vroeg ik.
  Maar Kees gaf geen antwoord en ik durfde er niet goed over door te vragen. Misschien kende hij zijn vader niet. Misschien had hij geen vader. Misschien was hij wel in het bos gegroeid. 
  Hij maakt soms aantekeningen als ik aan het praten was. Net of ik een schokkende gebeurtenis was en hij een journalist. We wilden allebei schrijver worden. Niet fulltime, maar erbij. Ik twijfelde eraan of ons dat ging lukken. We gebruikten meer Tipp-Ex dan inkt.

donderdag 21 november 2019

Piëta met hond (10) / Alles




PIËTA MET HOND


9


Alles





Mijn vader deed de deur open door aan een touw te trekken en Dadias en ik liepen naar boven. Het trappenhuis was zo smal dat er geen wasmachine of koelkast door kon. Hij woonde in een hippe buurt van de stad en die was gebouwd aan het einde van de negentiende eeuw. In die tijd bestonden er nog geen wasmachines en koelkasten.
  Hij had een schroevendraaier in zijn hand. Hij zat onder de zwarte vegen en hij zweette, vanwege de hitte. Zijn haren stonden recht overeind alsof hij onder stroom stond. Hij was kleiner dan ik, maar sterker, veel sterker.
  'Hé papa.'
  Het was lang geleden dat ik 'papa' had gezegd. Het lag niet lekker in het gehoor.
  Ik zag wel aan hem, dat hij er ook niks aan vond. Er fladderde een vogeltje van irritatie rond zijn hoofd.
  'Noem me maar Karel,' zei hij.
  Inderdaad heette hij zo, dat herinnerde ik me nog van vroeger.
  'Jouw hond?' vroeg hij.
  'Nee, van m'n zus.'
  Het schoot me te binnen dat mijn zus ook van hem hem was, namelijk dat het zijn dochter was.
  Hij was aan de pimpelarij, dat kon ik wel ruiken.
  'Kom binnen,' zei hij.
  Dat vond ik zo ontroerend, kom binnen, tegen mij.
  In zijn huis lagen overal tandwielen, schakelaars, wijzerplaten van klokken, wasmachinetrommels, radio's zonder kastje eromheen en verder van alles waar ik geen naam voor wist. Drie televisies stonden boven op elkaar met het testbeeld aan, en op de keukentafel stond een van vet glanzend motorblok uit een auto.
  Hij was alles aan het repareren, zei hij, alles.
  Overal stonden boeken (Heidegger, Hegel, Kant, Marx). Overal lagen handleidingen voor het repareren van apparaten en machines. Aan de muur hing een kalender van Pirelli.
  Op het fornuis stond een potje te pruttelen. Ik tilde het deksel op. Worst. Spek. Reusachtige bonen.
  'Kijk maar even rond,' zei hij, 'dan maak ik ondertussen dit af.'
  Hij stak zijn hoofd in het motorblok.
  Op dat moment kwam er een vrouw binnen op hoge hakken en in een mantelpakje van Chanel. Ze had blijkbaar de sleutel van het huis. Het was een sjieke dame, op en top verzorgd. O, tot in de puntjes. Ze ging tegenover het motorblok staan, plantte haar handen in haar zij en stak van wal:
  'Wat is er mis met mij?' vroeg ze.
  Het motorblok antwoordde niet.
  'Nou, wat is er mis met mij? Wat heb ik misdaan dat je me niet meer wil? O, ik haat je. Met je Marianne. Ik wil je nooit meer zien.'
  Het motorblok zweeg.
  Toen zag ze mij. Ik had mijn jas nog aan. Ik ging nooit zonder jas de straat op, ook al was het snikheet. Ik hield hem altijd aan, ook als ik ergens op bezoek was. Mijn moeder had hem gemaakt. Ze was mode-ontwerpster. Ze kon heel goed naaien. Vroeger kreeg ik een rood hoofd als ik dat zei.
  Als je hem uitdoet, zo'n jas, dan is het net of je van plan bent lang te blijven. Mensen kunnen daardoor een onaangenaam gevoel krijgen. Als je hem aanhoudt denken ze: hij zal zo meteen wel weer weg gaan. Dat is een fijn gevoel om te hebben.
  Er was plotseling kalmte in de sjieke dame gevaren. Ze ging voor me staan. 
  'Kijk eens naar me,' zei ze. 
  Ik keek.
  'Vind je me niet sexy?'
  Het waren wanhopige tijden.
  'Nou?' vroeg ze.  Ik wist niet wat ik zeggen moest. Ik was sprakeloos. Het was een ernstige situatie. 
  Dadias d'Arbrisseau wilde aan haar snuffelen met zijn grote neus, maar dat mocht niet van mij. Ik vond het niet goed.
  'Laat 'm snuffelen, die hond. Een hond is nog altijd beter dan niks.'
  Maar het mocht niet van mij en basta.
  Ze smeet haar sleutels naar het motorblok en vertrok. Ze trok de deur met zo'n klap achter zich dicht, dat de kopjes en de glazen in de kasten ervan trilden en rinkelden.
  'Kan ik een tijdje hier wonen?' vroeg ik aan mijn vader.
  Daardoor stootte hij zijn hoofd zo hard tegen de binnenkant van het motorblok, dat zelfs ik aan mijn hoofd begon te wrijven van de pijn. Wat kon hij vloeken. 

  We namen afscheid. Ik had een afspraak met een uitzendbureau.
  'Dag Karel,' zei ik. Ook dat lag niet lekker in het gehoor.
  'Dag jongetje,' zei hij.
  Dadias 'd Arbrisseau huilde als een wolf. Hij kon niet tegen afscheid.
  Op de trap hoorden we een luide ontploffing. Die kwam uit het huis van mijn vader.
  Hij was een rokkenjager, dat was wel duidelijk. Ik dacht: elke keer als hij aan het jagen is, dan voelt hij zich goed, zelfs heel goed, net alsof hij met het hele universum in verbinding staat als een god. En net heeft hij een vrouw veroverd, net heeft hij zich het edele voornemen gemaakt om eeuwig bij haar te blijven, of daar kruist alweer een andere aantrekkelijke vrouw zijn pad.
  
Nu ga ik nog twee mensen aan jullie voorstellen, namelijk mijn vriend Kees en mijn hoogleraar in de geschiedenis van de Oudheid, professor Brill.
  En dan hebben jullie iedereen gehad:
  Mijn vader, 'Karel';
  Marianne, mijn vaders vriendin;
  Lisa, mijn vriendin;
  Dadias d'Arbrisseau, die lieverd;
  Bram met zijn verfspuitbussen; 
  Brams ouders, de de Wolfs;
  en zo meteen Kees en professor Brill, die zijn colleges steevast begon met de woorden: 'Naar de oudheid zijn alle bruggen afgebroken, behalve de regenbogen van de begrippen.'²
  Meer doen er in dit boek niet mee.

² Vele jaren later vond ik die uitspraak terug in professor Nietzsche's De herwaardering van alle waarden.

woensdag 20 november 2019

Piëta met hond (9) / Het geschreven woord




PIËTA MET HOND


8


Het geschreven woord




 De meeuwen tikten met hun snavels tegen de ramen. Het was hun etenstijd. Ze kwamen elke dag, een hele zwerm. Ik gaf ze brood. Ze aten uit mijn hand.
  'Jullie krijgen zo,' zei ik. En tegen de deurwaarder:
  'Het spijt me dat ik even weg moest.'
  De deurwaarder legde formulieren voor zich op tafel. Hij pakte een vulpen uit zijn binnenzak, draaide de dop eraf met enig ceremonieel, en begon te schrijven. Hij hield zijn jas aan. Hij had ongelofelijk schone handen.
  'Wilt u koffie?' vroeg ik. Ik had gehoord dat je voor deurwaarders altijd aardig en beleefd moest zijn.
  'Nou graag,' zei hij.
  'Of is het soms uw zoveelste kop koffie van vandaag en wilt u misschien liever thee?'
  'Graag.'
  Hij was er duidelijk niet bij met zijn hoofd. Hij was aan het schrijven. Ondertussen keek hij rond of hij ook spullen van waarde zag, terwijl Dadias d'Arbrisseau blafte tegen de meeuwen. Wat ging hij tekeer! Het leek wel of hij er God weet wat voor een salaris voor ontving, om met de schrijver Nikolai Gogol te spreken.
  'Wat wilt u nu het liefst? Thee of koffie?'
  'Meneer, het maakt me echt niet uit, ik vind allebei lekker, ik heb in allebei wel zin.'
  'Koekje erbij?' Ik had gehoord dat deurwaarders koekjes erg lekker vinden. 
  Dadias d'Arbrisseau hield even op met blaffen en spitste zijn oren. Hij was ook dol op koekjes.
  'Graag,' zei de deurwaarder.
  Ik liep naar de keuken om koffie en thee te zetten en koekjes te pakken, maar alles was op. Ik had alleen nog slivovitsj.
  'Wilt u een glas slivovitsj?' riep ik vanuit de keuken.
  'Graag.'
  Nu wilde hij weer graag die slivovitsj.
  'Mag ik ook een glas?' vroeg de agent. Ik was hem helemaal vergeten. Hij zat stil in een hoek van de kamer in mijn geschiedenisboeken te bladeren. De koevoet stond rechtop tussen zijn benen.
  Ik gaf ze allebei een glas.
  'Nou, proost, op de beslaglegging,' zei ik terwijl ik slivovitsj in de glazen schonk.
  'Op de beslaglegging,' zeiden de deurwaarder en de agent.
  Ik zette muziek op en we gingen door mijn huis lopen om de inventaris op te maken.
  Lisa was bezig haar koffers uit te pakken. Marianne was zich achter een kamerscherm aan het aankleden.
  De deurwaarder schreef alles op wat hij zag, behalve mijn bed, mijn stoel, mijn tafel en dingen waarvan hij dacht: dat is niks waard.
  Doordat hij al die spullen opschreef, door de macht van het geschreven woord, waren ze nu niet meer van mij maar van hem. Ik had gelezen dat het in sommige beschavingen verboden was om de naam op te schrijven van spullen van iemand anders. Het werd als diefstal beschouwd. Als je het toch deed, werd de hand waarmee je het had opgeschreven eraf gehakt, precies als de hand van een dief. Ook het fotograferen van iemand anders werd als diefstal beschouwd. Diefstal van de ziel, wel te verstaan.
  'U moet morgenochtend het verschuldigde bedrag komen betalen bij mij op kantoor,' zei de deurwaarder toen hij klaar was met de inventarisatie, 'plus de kosten van dit bezoek. Als u het niet doet, plak ik een plakkaat op de gevel van dit pand met de mededeling dat er op uw adres een openbare executieverkoop zal plaatsvinden. Ook zal ik een advertentie plaatsen in de kranten. Dat kost u allemaal extra geld, dus u kunt maar beter betalen.'
  'Maar over een paar dagen bestaat dit pand niet meer,' zei ik, 'dan is het gesloopt, dan wordt het een openbare executieverkoop van lucht.'
  'Maakt niks uit,' zei hij.
  Dat was nou de heerschappij van het bureau.
  Toen stopte hij de formulieren in zijn leren tas, zette zijn hoed op en vertrok.
  'Nog bedankt voor de slivovitsj,' zei hij.
  'Ja, nog bedankt,' zei de agent, die achter hem aan liep.
  Op de televisie was een man met slecht zaad te zien. Daar had ik gelukkig geen last van. Bij mij zag je de spermatozoïden als dolfijnen uit het sap omhoog springen. Ik kon er een heel mini-dolfinarium mee beginnen, een heel spermatozoïdentheater.

  'Ik ga ook,' zei Marianne.
  Ik liep met haar naar beneden, de trap af. Ik begeleidde haar naar de deur, zoals ik altijd deed met vertrekkende gasten. De deurwaarder en de agent waren geen gasten, maar indringers, dus die had ik niet begeleid.
  Het was druk in het trappenhuis. De bewoners waren al bezig met de grote uittocht. Een heel interieur liep de trap af. Voorop een tafel, daarachter vier stoelen en daar weer achter een schemerlamp.
  'Marianne?'
  'Ja?'
  'Heb jij een man?'
  'Ja.'
  Ik zei niks. Geen woord. Dat had ik in Café Höhenwahn beloofd.
  Het steentje dat om haar hals hing fonkelde.
  'Wat is dat eigenlijk voor een steentje?' vroeg ik.
  Ze haalde het tevoorschijn.
  'Het is een robijn,' zei ze. 'Robijnen komen uit de grond, net als goud. Sommige zijn zo kostbaar als diamant. Je kunt ze ook synthetisch vervaardigen. Door het strooien van zuiver aluminiumoxidepoeder op de kop van een vuurvast staafje, geplaatst onder het warmste gedeelte van een naar beneden gerichte knalgasvlam, groeit er een peervormig kristal van korund. Als je chroomoxide aan het poeder toevoegt, krijgt het kristal vanzelf de rode kleur van robijn.'
  'Dus jij kunt zelf symbolen van de liefde maken?'
  'Ja, dat kan ik.'
  'Zulke mensen ontmoet ik niet iedere dag,' zei ik.
  Weer die schaterlach, die mengeling van goedheid en slechtheid. Als iedereen zo was als Marianne, dan was de wereld niet zo door de ratten aangevreten als nu het geval is
  Toen kwam de oude wolf de trap af stormen.
  'Ik ga dood!' riep hij.
  Het kwam door de drank. Hij was een liefhebber van wodka. Maar al bij de eerste slok wodka, het eerste onschuldige vissenhapje met de lippen, begon het te waaien in zijn kop. De dood was een obsessie voor hem. Hij dacht aan niks anders (vandaar de practical jokes). Hij stormde naar buiten, de straat op, en balde zijn vuist tegen een grote sloopmachine.
  Marianne nam afscheid.
  'Kom je morgenavond bij me?' vroeg ze. Ze gaf me een kus en haar adres.
  'Misschien,' zei ik. Ik vond het ingewikkeld.
  Ik had geen agenda, dus ik moest het in mijn hoofd prenten, op mijn hand of op een los papiertje schrijven.

  'Wie was die stomme troela?' vroeg Lisa toen ik weer boven was. En ze voegde er in één adem aan toe: 'Als je het niet zegt ga ik weg.'
  'Het is de vriendin van m'n vader. Dus je hoeft er niks achter te zoeken.'
  'Je vader? Ik dacht dat je die al tien jaar niet had gezien?'
  'Dat klopt,' zei ik, 'de wereld is klein. Maar wil je me even krabben, op m'n rug, ik heb daar zo'n kriebel en ik kan er net niet bij.'
  'Zometeen,' zei Lisa. 'En wat is het hier een troep. En wat doet die hond hier? En die meeuwen?'
  'Ik ben alles aan het opruimen,' zei ik, 'daarom is het hier zo'n troep. De hond is van m'n zus, ik pas op hem. De meeuwen ga ik nu broodkruimels voeren. Doe je mee?'
  Ik deed de balkondeuren open en samen voerden Lisa en ik de meeuwen.

  Het werd al mijn zoveelste verhuizing. Het verhuizen zat me in het bloed.
  Een oom van me, een broer van mijn vader, was verhuizer van beroep. Hij kon in zijn eentje de schuur in de tuin van zijn ouders optillen, zo sterk was hij. Soms wandelde de schuur op twee voeten door de tuin als de hut van Baba-Yaga. De eerste keer dat dit gebeurde was iedereen zeer onder de indruk, maar op het laatst liep de schuur door de tuin zonder dat iemand er nog op lette. Hij was een typische optiller van zware dingen, mijn oom, en daarom kwam het voor niemand als een verrassing dat hij op een dag de volgende woorden sprak:
  'Vader, moeder, ik word verhuizer.'
  Dat was bepaald geen onverstandig besluit voor een sterke jongen zoals hij, en daarom zeiden zijn vader en moeder: 'Jongen, je gaat je gang maar.' Dat klonk niet enthousiast, hoewel het wel zo bedoeld was. Maar dit terzijde.

maandag 18 november 2019

Piëta met hond (8) / De de Wolfs




PIËTA MET HOND


7


De de Wolfs




Brams vader, de oude wolf, zat roerloos op de bank. Zijn hoofd hing scheef, zijn tong – paarsblauw als de tong van een chowchow – hing uit zijn schuimende mond, zijn ogen stonden wijd open. Het leek of hij aan het doodgaan was. Ik had het gevoel dat we hem moesten gaan verstoppen, maar dat sloeg eigenlijk nergens op.
  Brams moeder schonk een glas vol rosé. Ze dronk het leeg terwijl we van een afstand naar de oude wolf zaten te kijken.
  'Wat is er met hem aan de hand?' vroeg ze.
  Hoe moest ik dat weten?
  'Hij zit daar al een hele tijd zo. Wat moeten we doen?'
  Toen kwam er beweging in de oude wolf.
  'Grapje!' riep hij.
  Zo'n practical joker was hij. 
  'Wat ben je toch een zakkenwasser,' zei Brams moeder.
 
Ik weet niet of je wel eens iemand gekend hebt die de hele dag alleen maar op een stoel zit, en rookt en drinkt en praatjes heeft en ruzie maakt? Nou, zo iemand was Brams moeder. Precies zo en niet anders. Ze ging zo vroeg mogelijk naar bed en stond zo laat mogelijk op, om maar zo weinig mogelijk van de dag te hoeven meemaken. Ze stond op met de beste bedoelingen, maar na een half uur was alles alweer verpest, vond ze. Dan ontkurkte ze de eerste fles rosé.
  Ze droeg een pruik. Soms deed ze de pruik af en hing ze hem aan de kapstok alsof het een hoed was. Dan zag je haar kale hoofd. Soms zat de pruik scheef of verkeerd om. Dan deed ik hem recht, zoals nu.
  'Mevrouw de Wolf, uw pruik zit scheef. Zal ik hem rechtzetten?'
  Ze boog haar hoofd naar me en ik draaide de pruik een kwartslag in het rond, zodat alle krullen weer op de juiste plek zaten.
  'Zo, nu bent u weer mooi en aantrekkelijk,' zei ik.
  Ze dacht vaak aan seks, zei ze. Ze was dol op seks. Ze lustte er wel pap van, zoals de volksmond het zo sappig en grappig uitdrukt. Soms deed ze netkousen en jarretels aan en verfde ze haar lippen rood. Het rood zat dan om haar lippen heen, zoals bij een clown. Zo liep ze dan door het huis, op hoge hakken en in een wolk van parfum uit een antieke parfumverstuiver die nog van haar verre voorouders was geweest. Ze was dan op de versiertoer. Ach, maar er was niemand om te versieren. Dan probeerde ze soms mij maar te versieren.
  'Bram!' riep ze.
  Ze riep het keihard, alsof Bram ver weg was, maar hij stond gewoon naast haar.
  'O, ben je daar, jij niksnut? Waar kom je zo snel vandaan? Waar heb ik het toch aan verdiend om zo'n zoon te hebben? Nou vooruit, schiet op, ga wat te eten voor ons maken in de keuken. En pas op dat je geen elektrische schok krijgt.'
  Volgens Brams moeder kreeg je van bijna alles een elektrische schok.
  Bram ging naar de keuken en kwam terug met belegde boterhammen. De één wordt op handen gedragen vanaf zijn geboorte tot zijn dood, zijn hele leven wordt hij in de watten gelegd. De ander wordt de huid vol gescholden zodra hij zijn snuit maar ergens om de deur steekt. 
  Ken je het verschijnsel dat je jezelf plotseling in een spiegel ziet terwijl je op die plaats en tijd geen spiegel had verwacht? Als je geluk hebt denk je in die nanoseconde:
  'Hé, wat is dat voor een aantrekkelijk iemand?'
  Als je pech hebt denk je:
  'Wat is dat voor een misbaksel?'
  Op een dag zag mevrouw de Wolf haar enige zoon op ongeveer zo'n manier en ik zal maar niet zeggen wat ze dacht.
  Bram was overal te laat mee. Hij begon te laat met lopen. Zijn vader en moeder dachten dat hij kreupel was. Hij begon te laat met praten. Ze dachten dat hij een idioot was. Hij begon te laat met lezen en schrijven en ze wisten gewoon niet meer wat ze denken moesten. Hij kwam elke dag te laat op school, waardoor hij elke ochtend voor straf een half uur eerder op school moest komen. Hij was de slechtste leerling van de klas, van de school, van de stad. Maar hij was slim, dat kon ik merken. 's Nachts spoot hij zijn naam op muren en op trams met zijn verfspuitbussen. Hij was een bomber (een veelschrijver). Overal waar je keek zag je zijn zijn tag:

Wolf 183

  Ik wist niet wat dat "183" te betekenen had. 
  Hij bezat een mes waarmee hij zich verdedigde of waarmee hij aanviel. Hij was een vechtersbaas. De wereld van de graffitischrijvers was een harde wereld. 
  Toen moest ik er vandoor. De deurwaarder en de anderen zaten te wachten. Ik hoorde hun voetstappen boven me.

Piëta met hond (7) / Honeymoon Quiz




PIËTA MET HOND


6


Honeymoon Quiz




'Waarom zit je telkens aan je neus?' vroeg Lisa.
  'Zeg ik niet,' zei ik.
  Iemand legde een tegenhoudende hand op mijn schouder toen we naar binnen gingen. Het was de deurwaarder. Hij had een politieagent bij zich en die had weer een koevoet bij zich. Ze kwamen geld halen. Maar dat had ik nu niet en daarom gingen ze beslag leggen op mijn spullen. Ik kon wel zien dat er geen gram geduld meer in de deurwaarder over was. 
  Het betrof een boete voor zwartrijden die in vijf herinneringen was opgelopen van veertig naar twaalfhonderdtachtig gulden. 
  Leverden mijn herinneringen maar zoveel geld op!
  Ik woonde op vijf hoog. Alle verdiepingen hadden hoge plafonds, we moesten veel trappen op. Het pand stond bijna net zo scheef als de toren van Pisa.
  We klommen en klommen. De deurwaarder en de agent puften van de inspanning en de warmte. Dadias d'Arbrisseau hijgde. Zijn tong sleepte zowat over de treden. Alleen Lisa huppelde zo lichtvoetig als een vlindertje de trap op. Ze telde de treden. We waren al bij de vijftigste trede en nog was mijn woning niet in zicht. Onderweg zei de agent: 'Je moet nooit zo hoog gaan wonen. Dat is gevaarlijk. Je ogen kunnen eruit vallen als je naar beneden kijkt.'
  Eindelijk waren we er. Mariannes ijsje was gesmolten.
  Ik hoefde niet eens de sleutel in het slot te steken. Marianne deed de deur al open. Ze had iets doorzichtigs aan. Het was een bandeloze tijd. Je kon haar borsten zien. Lisa begon meteen te huilen. Dit was geen goed begin van het samenwonen.
  'Lisa, niet huilen.'
  Ik sloeg een arm om haar heen.
  'Kom binnen,' zei ik tegen de deurwaarder en de agent.
De televisie stond aan. Er was een herhaling te zien van de Honeymoon Quiz. De bruid trok aan een touw en boven de bruidegom ging een luik open. Een hele plens bagger kwam bovenop de bruidegom terecht en hij won duizend punten.
  Toen werd er op de deur gebonkt.
  Het was Bram met zijn plastic zak vol verfspuitbussen. Daarmee spoot hij zijn naam op muren en trams. 
  'Hé Bram, kom binnen,' zei ik. 
  Hij was elf. Hij kwam elke dag bij me op bezoek. Hij was de zoon van de heer en mevrouw de Wolf, mijn benedenburen. Zij waren er de oorzaak van dat ik altijd op mijn tenen door mijn huis liep. De de Wolfs konden er niet tegen om voetstappen boven hun hoofd te horen. Dan zaten ze allebei met hun handen op hun oren op de bank. Het deed ze denken aan de oorlog. Ze zeiden: 'We zijn niet zo hoog gaan wonen om voetstappen boven ons hoofd te horen.' 
Daar zat wat in, vond ik. Verder maakten ze de ergste ruzies die ik ooit had meegemaakt. Omdat ik zo stil moest zijn kon ik alles horen.
  'Kom gauw,' zei Bram. Hij pakte mijn hand en trok me mee.

  Ons pand werd overmorgen afgebroken. Ook dat was geen goed begin van het samenwonen.
  De hele buurt werd afgebroken. De hele gribus. De machtige machines stonden al klaar. Er liepen voortdurend mannen door de buurt op schoenen met metalen neuzen en met gele helmen op. Ze keken steeds omhoog terwijl ze met hun voeten in de modder stonden. En overal waren televisiecamera's. Ze gingen het slopen filmen.
  Iedereen ging weg, er was een grote uittocht aan de gang. Ik ging ook weg. Ik wist alleen nog niet waarheen. Misschien kon ik een tijdje bij mijn vader wonen. Dat moest ik hem vandaag nog vragen. De tijd drong.
  Alleen de de Wolfs weigerden om weg te gaan. Geen haar op hun hoofd dat eraan dacht. Brams moeder was volkomen dolgedraaid door het probleem. Ze deed niks anders dan stofzuigen. Af en toe rende ze zomaar de straat op met haar stofzuiger, alsof ze de wereld ging stofzuigen. 
  'Kom gauw,' zei Bram.
  'Ik ben zo terug,' zei ik tegen de anderen.

zondag 17 november 2019

Piëta met hond (6) / Geschiedenis




PIËTA MET HOND


5


Geschiedenis




Lisa stond al voor de deur. Ze was zestien. Ik negentien. 
  We waren teenagers, zoals ze in Amerika zeggen. We hadden een jaar verkering, zoals ze in Twente zeggen.
  Ze trok bij me in. We gingen samenwonen.
  Marianne had ik pas de vorige avond ontmoet. Ze was nieuw voor me.
  Lisa had een stapel koffers en tassen bij zich. Ook haar konijn had ze bij zich. Volgens mij was het een marmot. 
  Ze was veel te vroeg. Ze drukte met haar hele wezen op de bel. Ze legde haar hele ziel en zaligheid erin.
 
  Later wilde ik professor in de geschiedenis worden. Dat was mijn plan, mijn toekomstplan. De geschiedenis van de wereld is een geschiedenis van rampen en van god. God is het laagste punt, niet het hoogste punt. Alles rolt er vanzelf naartoe, alleen de vogels niet.
  Het is de zwaarste studie van allemaal. Duizend boeken. Een miljoen boeken. Ontelbaar veel boeken. Alle boeken van de wereld. 
  Het sprak me wel aan. Mijn moeder wilde dat ik arts werd. Ze zei: 'Als je arts bent, dan heb je geld op de bank en dan kun je in je vrije tijd aan geschiedenis doen.' 

  'Lisa!' riep ik vanuit de verte.
  Het was een snikhete dag. Er was sprake van een hittegolf. De mussen vielen van het dak.
  'Waar kom je vandaan?' vroeg Lisa.
  'Wat doet het ertoe waar ik vandaan kom,' zei ik, 'het gaat erom waar ik nu ben. En ik ben nu hier, bij jou.' 
  'Is het soms geheim waar je was?'
  'Nee hoor, het is niet geheim.'
  'Waarom vertel je het dan niet?'
  'Daarom niet.'
  Daar nam ze genoegen mee. Ze gaf me een kus op mijn mond. De tong liet ze niet naar buiten komen. Dat vond ik zo teder.
  Hoewel Lisa kleiner was dan ik, leek het net of ze groter was dan ik. Dat kwam doordat ik tegen haar opkeek. 
  Als het waar is dat de slechtheid, de leugen en de lelijkheid één en ondeelbaar zijn, zoals sommigen beweren, dan moeten ook de goedheid, de waarheid en de schoonheid één en ondeelbaar zijn. 
  Als er toevallig op dat moment een Fransman was langsgekomen, dan had hij vast en zeker gedacht:
 'Tiens! Les extrèmes se touchent.'
  Ik had de ijsjes gekocht bij Häagen Dasz. Cookies & Cream voor Marianne en Rum & Raisins voor mezelf.
  Ik gaf mijn ijsje aan Lisa. 
  'Voor mij?'
  Ik vond haar net een heilige. Haar stem was honing, mijn oor een bruine beer.
  'Voor jou.'

  'Laat me je handen eens zien,' zei ik.
  Ze liet ze zien. Ze had weer op haar nagels gebeten. Om haar vinger-toppen zaten pleisters.
  Toen zei ze: 
  'Ik ben zwanger.'
  'Van mij?' vroeg ik. 'Laten we dan bidden dat het jouw schoonheid erft.'
  Maar ze wilde het liever laten weghalen, zei ze.
  Dat vond ik ook goed.
  Later die dag, toen Marianne weg was, begon Lisa te bidden, gewoon op klaarlichte dag. Ze geloofde hartstochtelijk in god. Ze zei tegen hem:
  'Lieve god, maak dat alles goed komt en dat de komeet niet op aarde neerstort, amen.'
  Er stond al een week een komeet aan de hemel. De hele wereld was melancholiek, want hij kwam maar eens in de tienduizend jaar.
  Maar voor ik verder ga wil ik het volgende verhaal vertellen, zodat je begrijpt waarom Lisa een goed mens was. Het is een anekdote, dus je hoeft er niet lang bij stil te staan.
  Lisa en ik hadden twee kaartjes gekregen voor het Concertgebouw. Er kwam daar een beroemde zanger.
  De zaal was vol mensen van goede komaf. Er was nog niemand te zien op het podium. Er klonk verwachtingsvol geroezemoes.
  We hadden gehoord dat de zanger de beste tenor van de wereld was.
  Eindelijk kwam hij de trap af.
  Hij had geeneens armen! Zijn hoofd was even groot als de rest van zijn lichaam. Het softenon had hem zo verschrikkelijk te pakken gehad. Dat wisten Lisa en ik niet. Daar had niemand ons voor gewaarschuwd. Dat hadden ze ons wel even mogen zeggen.
  Daar begon hij te zingen. O, wat een prachtige klanken. Wat een tenor.
  De handen van de tenor zaten direct aan de schouders vast, dus zonder armen ertussen, en die handen leken wel de vleugels van een pasgeboren vogeltje, zo machteloos wapperden ze op en neer en heen en weer.
  Lisa kon er niet tegen. Ze moest zo lachen. Ze kon er niks aan doen. Het was eigenlijk huilen. Het werd steeds erger. Ze keek naar de grond, om de zanger niet te zien. Maar schijnbaar zag ze hem toch, voor haar geestesoog, want het hield niet op.
  En het werd er niet beter op voor Lisa toen sommige bezoekers opmerkingen begonnen te maken over haar schandelijke gedrag.
  Lisa kon het lachen niet meer binnen in zich houden. Ze kon het niet meer volhouden om geen geluid te maken. En daar kwam het eruit. Als paarden in galop. Als duizend blauwe, gele en rode papegaaien. Als champagne uit een geschudde fles.
  Ik sleurde haar mee, uit de stoel, voor alle strenge benen van goede komaf langs. Ik maakte allemaal excuses. Daar was ik goed in.
  Lisa droeg een elegante witte zomerjurk met blauwe stippen.
  Omdat ze niet meer kon lopen van het lachen moest ik haar dragen. Zo verlieten we de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw.
  En daarom hield ik zoveel van Lisa. Omdat ze de lach van honderden mensen voor haar rekening nam. Want ik had gezien dat Lisa's lach aanstekelijk werkte op iedereen. Alleen konden de anderen hun lach binnenhouden. Maar Lisa kon dat niet. En weet je waarom niet? Omdat ze een goed mens was, zoals ik al zei.
  Meer heb ik hier niet aan toe te voegen. 

zaterdag 16 november 2019

Piëta met hond (5) / Rennen




PIËTA MET HOND


4


Rennen





Roef was al aan het janken toen ik eraan kwam.
  'Rustig maar Roef.'
  Hij sprong tegen me op. Hij was blij dat ik er was.
  Hij heette eigenlijk Dadias d' Arbrisseau. Hij was een rashond. Een Petit Basset Griffon Vendéen. Zijn vader heette Cacao des Rives de la Garonne. Zijn moeder heette Vedette des Barbus d'entre Lac. Het was een deftig beest. Over zijn voorouders zal ik het maar niet eens hebben. 't Was de allerhoogste adel.
  Hij had het hele grachtenpand van mijn zus ondergescheten. Hij had 't met zoveel kracht uit zijn gat geschoten dat het tegen het plafond zat. Zodra hij alleen was begon hij te janken en uit alle macht, nou ja, te schijten. Hij kon niet alleen zijn. Ik mocht hem graag.
  Ik sloeg mijn armen om hem heen en drukte hem stevig tegen me aan. Dat vond hij fijn. Hij beefde van voor naar achter. Hij was nat van het zweet van de paniek. Ik aaide hem.
  'Rustig maar, braaf beest. Toe maar. Ik ruim alles wel op. Ik zal je nooit meer alleen laten. Ik zal je overal mee naar toe nemen. Dat beloof ik. En weet je wat? Ik noem je voortaan Dadias d' Arbrisseau, want zo heet je, en het klinkt veel beter dan Roef.'
  Na het eten – een schrokken – gespte ik zijn riem om en we gingen de straat op. Hij blafte van vreugde. Zijn flaporen gingen op en neer van enthousiasme. En overal ging hij even snuffelen. Hij snoof de geurtjes op tot diep in zijn binnenste. O, tot in zijn tenen. En daarna, als hij er een hele tijd aan geroken had, aan zo'n geurtje, dan ging hij eens rustig zitten nadenken, god mag weten waarover. Hij had een enorme neus. De neus van een jachthond.  
  Eindelijk had hij een goeie plek gevonden om zijn behoefte te doen, zoals dat heet.
  'Nee, Dadias d' Arbrisseau, niet hier,' zei ik, 'niet uitgerekend hier.' 
  Maar het was al te laat. Hij zat er helemaal klaar voor. We stonden precies voor de deftigste schoenenwinkel van de stad, met in de etalage de allermooiste schoenen die ik ooit gezien had, namelijk een paar Grensons.
  Meteen kwam er een schoenverkoper naar buiten lopen met een schep, een plastic zakje, een borstel en een emmer water. Hij gaf de spullen aan mij en zei:
  'Als je hond precies hier voor de deur van onze schoenenwinkel z'n behoefte wil doen, prima, daar heb ik geen problemen mee. Hier heb je wat spullen, en ruim het maar op zodra je hond klaar is.' 
  Ik schaamde me dood. Hij praatte zo hard dat alle voorbijgangers het konden horen. Er vormde zich een klein groepje omstanders. Het viel me nog mee dat ik geen tandenborstel kreeg om de stoep mee schoon te boenen op mijn knieën, want het was bekend dat die zeer deftige schoenenwinkel in de oorlog laarzen en leren jassen had gemaakt voor bepaalde mensen. Maar op een dag moet je ophouden daarover te zeuren en dus zei ik er niets over. Het gaf me wel het recht, vond ik, om die spullen niet aan te pakken.
  'Vertel me liever,' zei ik tegen de schoenverkoper, 'hoe duur die Grensons daar zijn, want die wil ik kopen.' 
  Dadias d' Arbrisseau was klaar en zat alweer aan het achterste van een andere hond te ruiken. Hij stak zijn neus er zowat helemaal in. Hij kwispelde zo hevig dat hij bijna zijn evenwicht verloor. Toen deed die andere hond ook zijn behoefte voor de deur van de schoenenwinkel.
  Het begon nu werkelijk een smerige bende te worden. Ik voelde me schuldig. 
  'Godverdomme!' schreeuwde de schoenverkoper. Hij was per ongeluk midden in de uitwerpselen gaan staan.
  'U bent er middenin gaan staan,' zei ik tegen hem, 'nu zit het onder uw schoen. Nu wilt u zeker dat ik het eraf schrob met een tandenborstel. Het lijkt me precies iets voor u om zoiets te willen.' 
  Had ik het toch gezegd. 
  Hij werd vuurrood van kwaadheid. Hij wou me een dreun verkopen. Hij wou me in elkaar slaan, ja, tot moes slaan. Ik kon nog net op tijd opzij springen en het op een lopen zetten.
  'Rennen!' riep ik tegen Dadias d' Arbrisseau. En daar gingen we. In volle vaart. Dwars door de stad. Door de smalle steegjes. Over de grachten. Dadias d' Arbrisseau vond het heerlijk. Zijn flaporen dansten om zijn kop. Ik vond het ook heerlijk. De vliegende vaart had ons te pakken. We waren als bladeren in de storm. We renden de Blauwbrug over. Langs het Amstelhotel. De Wibautstraat in. De gribus van Oost in. We vluchtten voor iedereen uit. Voor de hele wereldgeschiedenis uit. Voor alle rampen uit. Voor god uit. Voor de schoenverkoper uit. Ze probeerden ons allemaal te pakken te krijgen. Een heel stel vijanden. Maar wij waren sneller. Wij waren de omgekeerde Don Quichot en Sancho Panza.
  Het was midden in de zomer. Er gebeurde niks. Het was stil en leeg en warm.
  'Rennen, Dadias, rennen!' 
  En zo kwamen we aan bij mijn huis, nadat we eerst nog een paar boodschappen hadden gedaan. Ik had geen ontbijt of lunch gekocht zoals ik van plan was. Ik had ijsjes gekocht, dure ijsjes, omdat het zo warm was. Twee voor een tientje. Ze begonnen al te smelten.