zaterdag 16 november 2019

Piëta met hond (4) / De andere kant van de rivier (vervolg)




PIËTA MET HOND


3


De andere kant van de rivier (vervolg)





En daardoor wisten we dat haar ziekte, de ziekte waar geen medicijn tegen bestond, zoals de dokter had gezegd, weer over was.
  Mijn vader kwam nog één keer langs.
  De bel ging.
  Ik keek naar buiten, naar beneden, door het erkerraam. Daar stond hij, zijn armen vol cadeaus. Hij wilde zeker wat goedmaken.
  Mijn moeder was in paniek. Ze nam ons allemaal mee naar de zolder. Ze deed het luik van de zolder op slot. Ze schoof er een paar kasten bovenop. We verstopten ons dicht bij de sterren.
  'Ring!' deed de deurbel in het grote huis.
  We hielden onze adem in.
  De volgende ochtend vonden we de stapel cadeaus op de stoep, tegen de deur aan geleund. Ze vielen naar binnen toen we de deur open deden.
  En meer vertel ik er niet over, over vroeger. Een dooie merel zingt nog eerder een lied, dan dat ik er nog een woord over vertel.

  Mijn vader bleek een stevige kerel, een bizon van een kerel. Ik gaf hem een knipoog. Ik dacht dat dat misschien een goede manier van doen was.
  'Ik las het briefje op de deur,' zei ik. 'Is Marianne je vriendin?'
  Hij keek verstoord. Ik hield er meteen over op. Ik wilde geen ruzie met hem krijgen. Ik wilde dat hij zich goed voelde. Tenslotte was hij jonger dan ik, om met de schrijver Robert Musil te spreken. Toen mijn vader geboren werd was onze eeuw – vol rampen – nog jong. Toen ik geboren werd was onze eeuw al oud aan het worden.
  'Barkeeper, nog twee bier,' riep hij met een luide stem die klonk als een klok.
  Hij had geen pokerface. Elke man wil graag een pokerface hebben, want een gezicht dat meteen alle gevoelens verraadt, daar kom je niet ver mee in vredes- of oorlogstijd (de oorlog, die wist wat). Het beste is het, om een gezicht te hebben waar niks doorheen komt, geen enkele innerlijke zonnestraal, geen enkele bliksemflits of bewolking. Maar bij hem kwam alles erdoorheen, alles. Ik kon wel zien dat hij de barkeeper een idioot vond.
  'En een korenwijn,' riep mijn vader. Hij knipoogde naar me.
  Hij dronk de korenwijn en het bier snel op.
  Terwijl hij dat deed – klokklok – zei ik tegen hem:
  'Ik ken ook een vrouw die Marianne heet, en volgens mij is het dezelfde.'
  Ik zei het, want als je het niet zegt, dan begint meteen het geweten te knagen.
  Mijn vader zette zijn glas op tafel en keek me streng aan. Ongeveer zoals Beethoven.
  In het begin leken zijn ogen op knikkers, maar nu leken ze op oesters. Dus eerst waren ze helder en nu waren ze troebel. De alcohol had dat gedaan.
  Ik dacht dat hij me ging aanvliegen. Dat hij me tot moes ging slaan. Dat was niet het geval.
  Toen kwam er een man bij ons aan tafel zitten. Hij ging achterstevoren op de stoel zitten met zijn benen wijd. Zijn armen rustten op de rugleuning en daarop legde hij zijn hoofd. Hij had lang haar en een lange baard en twee van de droevigste belastingblauwe ogen die ik ooit zag. Hij begon moppen te vertellen, waarbij hij telkens schudde van het lachen.
  Na een half uur moest hij ervandoor om een streepjespak te kopen en er kwam een nieuwe man op de stoel zitten die met ons over het nut van ontploffingen ging praten. Daarna kwam er één die niks zei omdat hij het te druk had met zich krabben. Daarna één die precies het geluid van baggeren-onder-water kon nadoen. En tenslotte één met een bizar kapsel, die het volgende korte verhaal vertelde, over een tube:
  'Die tube lag in m'n huis. Ik wist niet van wie het was of wat het was. Ik dacht, kom, ik smeer maar eens wat in m'n haar.'
  Toen we weer alleen waren begon mijn vader over Marianne.
  Hij prees haar de hemel in. Hij prees alles van haar, al haar vlees. Haar borsten (daar had hij verstand van), haar nek, haar hals, haar billen, haar mond, haar voeten, haar tenen. Daarna bestelde hij nog wat vanwege de eeuwige dorst, en hij ging verder met het prijzen van haar botten en gewrichten, haar tanden en kiezen. Toen hij daarmee klaar was prees hij haar geest en tenslotte prees hij haar stem, haar oogopslag, haar glimlach en haar bewegingen.
  'En ze kan staande plassen, precies in de pot.'
  Dat vond hij zo geweldig. Hij kneep in mijn wang.
  Het was dezelfde Marianne, dat was me wel duidelijk.
  Hij zei tegen me dat ik een goede neus voor vrouwen had en dat iedereen verliefd op haar was, mens en dier – de hele wereld.
  'En nog iets,' zei hij, 'vertel maar niet aan Marianne dat we vader en zoon zijn. Ze weet niet eens dat ik een zoon heb. Dat wil ik zo houden. En vertel haar ook maar niet van m'n hart.'
  Toen hervatte hij zijn monoloog over god, de oneindigheid, de dood, Galileo Galilei en Christoffel Columbus, en tot besluit hij zei het volgende, plechtige:
  'Een onzichtbare hand zorgt ervoor dat er op aarde evenveel mannen als vrouwen worden geboren, zodat geen levend mens, mooi of lelijk, goed of slecht, waar of onwaar, zich zorgen hoeft te maken over de voorplanting van zichzelf. Anders gezegd: voor ieder potje is er wel een dekseltje. De ziel wil eeuwigheid, wil diepe, diepe eeuwigheid, heeft een niet zo groot filosoof eens gezegd. Wat is er mooier dan die felbegeerde eeuwigheid veilig te stellen door het wonder van een zoon of een dochter? Natuurlijk, het is mogelijk om door roem een plaatsje te bemachtigen tussen de eeuwigen. Maar wat is roem vergeleken bij het natuurgeweld van een zoon of een dochter van vlees en bloed, die ons optilt boven onze geschiedenis, als een krachtpatser, en ons daarna in zijn of haar (sic) sterk geworden armen opvangt wanneer wij vallen? Maar dan moet die zoon niet alles aan Marianne vertellen, dat niet.'
  Hij had de hik gekregen.
  Ik beloofde dat ik niks zou zeggen, geen woord.
  'Heb je er wel eens over nagedacht,' zei hij, 'wat eigenlijk het einde van het lichaam is?'
  Ik zei nee, nooit over nagedacht.
  'Ik wel, en dit zijn de drie einden van het lichaam: de geest, de dood en de huid, alsjeblieft.'
  Ik was te lang in het café gebleven. Ik moest opschieten. Marianne moest nog ontbijten – dat werd lunchen – en Lisa was onderweg naar mijn huis. Maar eerst moest ik Roef eten geven, de hond. Dat kon niet wachten. Geen seconde.
  'Nu moet ik gaan,' zei ik tegen mijn vader.
  'Goed,' zei hij, 'en kijk uit op straat, there are many many banditos in the mountains.'
  Wat een steenkolen-Engels.

vrijdag 15 november 2019

Piëta met hond (3) / De andere kant van de rivier




PIËTA MET HOND


3


De andere kant van de rivier




Ik rende naar tram 3. Hij kwam er al aan. Ik kon er nog net op springen. Ik ging vooraan zitten, naast een oude man, om te zien of er geen controleurs op de haltes stonden. Als het kon ging ik altijd naast een oudje zitten in de tram. Dat gaf een veilig gevoel. Niks te vrezen.
  Het was druk in de tram. Een paar mannen speelden achter in de tram op gitaren. Een vrouw danste. Mijn voet ging vanzelf meedoen op het ritme (er stroomde wat zigeunerbloed door mijn aderen). Ondertussen oefende ik op de zin: 'Hallo papa, ik ben je zoon. Dat is lang geleden, hè?' Ik twijfelde zeer of ik 'papa', 'vader' of  'meneer' zou zeggen.
  Ik moest het goed oefenen, vanwege het spraakgebrek.
  Toen riep een man achter me:
  'Hé, klootzak!'
  Ik deed net of ik het niet gehoord had. Ik bleef recht voor me uit kijken. Ik ging gewoon door met mijn voet, op het ritme.
  'Hé! Jij daar! Klootzak! Dans eens voor ons! Op de muziek!'
  'Vooruit!' riep een andere man, 'we willen je zien dansen. Of kun je dat niet?'
  Ik zei niks.
  'Je hebt toch zeker niet je tong verloren, klootzak?'
  Ik gaf geen antwoord. Ik deed net of mijn neus bloedde.
  'Die klootzak wil niet voor ons dansen, wat zullen we met hem doen?'
  'We moeten hem een danslesje geven.'
  En daar kwamen ze aan. Ik begon me geestelijk voor te bereiden op mijn eerste dansles. Ik was er klaar voor.
  Maar ze sleurden de oude man naast me uit de bank. Hij had zeker iets misdaan. Hij was zo oud en knokig als een oude olijfboom.
  'Dansen!'
  'Loop naar de pomp!' zei hij.
  'Dansen!'
  'Loop naar de duivel!'
  'Zingen!'
  'Loop naar de maan!'
 Toen begonnen ze hem in elkaar te slaan.
 
  Het huis van mijn vader was boven een café dat Café Höhenwahn heette. Het stond op het raam geschreven in sierlijke letters: 

Café Höhenwahn

  Mijn vaders adres en telefoonnummer stonden gewoon in het telefoonboek (ik had hem al tien jaar niet meer gezien). Ik wilde op de deurbel drukken, maar er was een briefje op geplakt met de mededeling:
  'Marianne, ik ben in Höhenwahn.'
  Alleen de duivel weet op de centimeter precies hoe klein de wereld is. Wat een toeval. Wat een noodlot. Wat een misère. Dat krijg je er nou van als vaders en zonen vreemden zijn.¹ Ik wist meteen dat het dezelfde Marianne was. Voor sommige dingen hoef je geen private eye in te huren. Die weet je.
  Daar zat hij. Aan de bar. Op een barkruk. Ik had hem zo lang niet gezien. De ontroering drukte van binnen tegen mijn ogen en tegen mijn huid.
  Ik bestudeerde hem van een afstand. Ik leek op hem, dat zag ik meteen. Hij was een hele wijsgeer geworden zo te horen. Hij zat over de dood te kletsen, over de oneindigheid en over god, en hij kon maar niet ophouden over Galileo Galilei en Christoffel Columbus. Daar wist hij schijnbaar heel veel van. Lieve god, wat wist hij daar een hoop van. Wat een kletskous. En wat een neus.
  Ik wilde hem met rust laten. Ik was een tikje bang voor hem. Ik was bang dat hij ging zeggen:
  'Wat kom je hier doen, imbeciel?'
  En dan ik:
  'Maar ik ben je zoon.'
  En hij:
  'Dat kan me niks schelen.'
  En tegen het hele café:
  'Kijk hem eens aan, die imbeciel.'
  Ik was bang dat hij me belachelijk ging maken.
  Maar ik had geld nodig. Een geeltje was genoeg. Voor thee, voor sinaasappelen, een paar eitjes, een paar warme broodjes. Voor Marianne. Voor ontbijt.
  'Zeg het maar,' zei de barkeeper van Café Höhenwahn.
  'Een geeltje,' zei ik. Van de zenuwen.
 
  Herkende hij me? Of begon hij zomaar tegen me te praten als tegen de eerste de beste cafégast?
  Wat een grote woorden gebruikte hij.
  Ik deed net of ik alles begreep wat hij zei. Alsof ik van alles de diepere betekenis snapte. Ik knikte bij elk woord. Ik zei de hele tijd ja en amen. Ik deed alsof het allemaal gesneden koek voor me was. Maar ik begreep er niks van. En niet omdat ik te stom was. O, denk dat maar niet. Ik had al veel boeken gelezen voor mijn studie. Ik was niet achterlijk.
  Ik had nog nooit zoveel gedronken. Maar ik dacht: als ik de drankjes weiger, dan geeft hij me het geld niet. Dan kom ik straks met lege handen thuis. En daarom dronk ik alles op. Het ene glas na het andere, elke druppel. Ik werd er draaierig van. Elke keer als mijn vader lachte, lachte ik ook, nog veel harder dan hij. Het leek wel huilen als ik er eens goed over nadenk. Maar wat een neus. Mijn neus was kleiner. Ik wilde niet dat hij dacht dat ik een kleine Johannes had, zoals het spreekwoord zegt.
  Hoe langer zijn monoloog duurde, hoe moeilijker het werd om ertussen te komen en de zin te zeggen die ik in de tram geoefend had. De alcohol gaf me moed. Ik plantte mijn koevoet tussen zijn grote woorden in en wrikte en zei dat ik zijn zoon was.
Verdomd, nu zag hij het.

  Hij had geen geeltje voor me. Wel een tientje.
  'Waar moet ik zo gauw een geeltje vandaan halen?' zei hij, 'je denkt toch niet dat het geld me op de rug groeit?'
  Ik dacht van niet.
  Hij had een hart dat af en toe stopte met kloppen. Dat wist ik nog van vroeger. Dan hield het er even mee op. En daarna begon het weer.
  De eerste keer dat dit gebeurde woonde hij nog in dezelfde stad, in dezelfde straat en in hetzelfde huis als ik, lang geleden. Hij was de baas van de bustehouderfabriek. Hij was rijk. Hij wist precies hoe je bustehouders moest maken. Maar hij wilde liever een groot filosoof worden. Daarom rookte hij drie pakjes Caballero per dag.
  Zijn hart hield zomaar op met kloppen, midden op straat. Hij zakte in elkaar. Het was stil in de brede borst van de heer Lips, mijn vader.
  'Doorademen!' gebood mijn moeder.
  Er kwamen allemaal mensen omheen staan. Ze keken naar de grond, waar hij lag. Sommigen staken er een sigaret bij op.
  Later hield mijn moeder bij hoog en bij laag vol dat het hart wel een uur had stilgestaan, maar dat het bloed gewoon was blijven stromen door haar magische krachten – de magische krachten van mevrouw Lips.
  Niet lang nadat het hart weer was begonnen met kloppen zei mijn vader:
  'Nu ga ik weg en kom ik nooit meer terug.'
  Mijn moeder trok een schoen uit en gooide die met zoveel kracht tegen zijn hoofd dat er bloed uit kwam. Het was een schoen met een punthak.
  Mijn vader reed de stad uit. Hij zag een koe. De ogen van de koe leken wel wat op de ogen van god, vond hij.
  Mijn moeder gooide alle dingen weg die aan hem herinnerden. Toen ze daarmee klaar was – het duurde een dag en een nacht, ze deed het zorgvuldig – sloot ze de gordijnen van haar slaapkamer en ze bleef veertien dagen in bed liggen zonder een woord te zeggen.
  Op de vijftiende dag stond ze op. Ze deed de gordijnen weer open. Ze deed ook de ramen open. Ze bracht orde in de chaos van het huis en zette bloemen in de vaas. Ze maakte voor ons het fijnste gerecht dat ze kon bedenken.

¹ Oтцы и дети (spreek uit: Ottsy i Deti) – Vaders en Zonen, roman uit 1862 van de Russische schrijver Ivan Toergenjev

donderdag 14 november 2019

Piëta met hond (2) / Zeg het alsof je het meent




PIËTA MET HOND


2


Zeg het alsof je het meent






'Bijt me!'
  Ik wilde haar niet bijten. Geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht.
  Ze deed mijn mond naar de plek waar ze het wou.
  'Zachtjes bijten?'
  'Nee hard.'
  Dat was wel een tikje pervers van haar. Maar omdat ik haar lief vond, deed ik het. Alleen deed ik het niet hard. Ik deed het zacht.
  'Zeg dat ik een slet ben, een hoer.'
  Ik zei het.
  'Je zegt het niet goed. Je moet het zeggen alsof je het meent.'
  'Maar ik meen het niet. Ik vind je juist zo mooi.'
  Om haar hals hing een zilveren kettinkje met een kleine rode steen eraan. Het steentje fonkelde.
  Toen draaide ze zich om. Ze ging met haar rug naar me toe liggen. Ik geloof dat ze niet gelukkig was met de toestand. Ze zei dat ik nog veel moest leren. Toen viel ze in slaap. Dat kon ik voelen aan het losser worden van haar greep. We lagen midden in de zilveren maneschijn. In het zilveren licht.
  O, maan.
  Wat een mooie vrouw was Marianne. Ze was wel vijftien jaar ouder dan ik. Alleen, er was iets met haar. Dat wist ik toen nog niet. Het was puur toeval, midden in de zomer. Of geloof je niet in toeval? Nee? Dan heb je zeker alles goed geregeld. Alles netjes aan kant. De schone was mooi opgevouwen in de kast. Alle paperassen... Nou ja, het kan me niet schelen. Hier komt hoe de vork in de steel zat.

  Mijn vader woonde aan de overkant van de rivier. Aan de overkant van de de Amstel. Ik had hem al meer dan tien jaar niet meer gezien. Het leek me geen goed idee om hem op te zoeken. Hij zat er vast niet op te wachten.
  Maar ik dacht toen ik wakker werd: vandaag zoek ik hem op, voor geld. Een geeltje. Om een ontbijt te kopen voor Marianne. Dat was een mooie reden. Een edele reden. Hier komt je zoon. Na al die jaren. Voor geld. Voor Marianne.
  Wat een goed idee. Het kwam zomaar in mijn hoofd op. Mijn studiebeurs was altijd al halverwege de maand al op.
 Er zijn mensen waar het geld meteen op af vliegt zodra ze hun snoet maar ergens om de deur steken. Het vliegt uit ieders zakken. Bij mij was het precies andersom. Het geld vloog alle kanten op, behalve de mijne. 
Later zou ik schatrijk worden. Mijn verre toekomst heerste over me. Maar daar had ik helemaal geen weet van. Lange tijd beleefde ik alleen raadsels. Dit is dus het boek der raadsels.
  Ik stormde het huis uit. De trappen af. De straat op. Langs de bedelaar op de hoek van de straat. Hij had daar zijn domicilie.
  Maar wat was er met de bedelaar gebeurd? Hij was helemaal zilver geverfd en stond erbij als een standbeeld. De roerloosheid had hem te pakken.
  'Wat is er met je aan de hand?' vroeg ik. 'Het is toch hopelijk niet zo dat de roerloosheid je te pakken heeft, of wel?'
  Hij zei niks terug. Hij knipperde niet eens met zijn ogen.
  Voor de zekerheid gooide ik toch maar een muntstuk in zijn hand. Toen kwam hij met een schok in beweging. Precies als een robot. Hij bukte zich en nam zijn zilveren hoed af. Er kwam geen witte duif uit de hoed.
  Hij had een act gemaakt van zijn armoede. Hij was opeens geen bedelaar meer. Hij was een entertainer geworden. Toen knipoogde hij naar me. Hij stond op een kist.
'Je bent een slimme kerel,' zei ik, 'echt een sluwe vos, en daarom geef ik je nog een muntstuk, mijn allerlaatste, hier.'
  Hij zei niks terug. Hij was alweer aan zijn roerloosheidsact begonnen.

Piëta met hond (1) / Mike Tyson vs. Evander Holyfield




PIËTA MET HOND* 


 
Vandaag haalde ik mijn hart eruit
om het in een regenbui te leggen

Federico García Lorca
 

Deel Een 
 
Slaapt jouw god wel eens?  


1


Mike Tyson vs. Evander Holyfield






Het was midden in de zomer. Er gebeurde niks. Het was leeg en stil en warm. De wereld leek net een grote ketel op hoog vuur, zonder iets erin.
  Er was niemand. Iedereen was op vakantie. Alleen Roef was er nog, de hond. Daar moest ik voor zorgen. 
  Je kon zo hard roepen als je wilde, de woorden kwamen vanzelf terug in je eigen oor. Wel waren er veel muggen, vliegen, bijen, wespen en hommels die rondvlogen in de lucht. Dat gaf nog wel een feestelijk tintje aan het midden van de zomer.
  'Wat kom je doen?'
  'Ik kom bij jou slapen.'
  'Maar dat kan niet.'
  'Vind je het dan niet fijn?'
  'Heel fijn. Maar straks komt Lisa.'
  We fluisterden, Marianne en ik. Ze wilde niet langer op de gang staan. Ze wilde naar binnen. In mijn huis. 
  'Maar het kan niet.'
  Ze begon de trap af te lopen, heel dramatisch.
  'Niet weggaan. Je kunt toch nog wel even hier blijven, op de gang bedoel ik?'
  'Hoe kan ik nu hier buiten op de gang blijven staan? Ik ben toch geen paraplu?'
  'Dat ben je wel. En ik ben de regen. En onder de paraplu loopt onze zonnige toekomst.'
  Ik begreep zelf niet goed wat ik daar zei, maar doordat ik het zei moest ze glimlachen.
  'Wat valt er te lachen?'
  'Ik vind je gewoon lief.'
  'Ik ben niet lief.'
  'Jawel, dat ben je wel.'
  'Ik zie niet goed in wat er lief aan me is.'
  'Nou gewoon, hoe je bent.'
  'Een wild dier?'
  'Een lieve jongen.'
  Toen liet ik haar binnen.
  Haar glimlach werd een schaterlach bij het binnenkomen. Dat was de mengeling van goedheid en slechtheid. Ik zei dat ze haar schoenen moest uitdoen en zachtjes lopen in verband met de benedenburen. Eerst keek ze wat rond in mijn huis en daarna begon ze zich uit te kleden op de rand van het bed.
  Het was een smal bed. Er kon eigenlijk geen vrouw bij. Het bed was er niet op berekend. De enige die erin kon was ik. Hoewel het nog donker was buiten – omdat het midden in de nacht was – kon je toch al spreken van mooi weer. Op de televisie was de bokswedstrijd Mike Tyson vs. Evander Holyfield te zien. Het bloed spoot uit Mike Tyson.
  'Waarom ben je hierheen gekomen midden in de nacht?'
  'Omdat ik je een lieve jongen vind, daarom.'
  'Maar ik ben een arme student.'
  'Dat geeft niks.'
  'O, gelukkig. Maar ik heb een spraakgebrek.'
  'Dat is juist charmant.'
  Toen gaf ze me een kus. Het was niet zomaar een kus. Het was een tongzoen. Althans, dat was de bedoeling. Maar ik deed mijn mond niet open. Ik hield hem stijf dicht. De bokser Mike Tyson en de sterkere bokser Evander Holyfield waren even opgehouden met slaan en hielden elkaar in de armen.
  'Je bent lief.'
  'Jij ook.'
  Marianne en ik zeiden dat tegen elkaar, niet Mike Tyson en Evander Holyfield.
  Ik wilde het niet zeggen, maar toch zei ik het. En waarom? Omdat ik haar mooi vond. Eerlijk is eerlijk. En om nog duizend andere redenen die ik buiten beschouwing laat. Maar het was een onmogelijke liefde, en daarom zei ik: 
  'Ik hou van je.'
  En zij zei:
  'Dat weet ik.'
  Toen beet Mike Tyson een stuk uit het oor van Evander Holyfield.
  En dat was het begin.

* Deze roman in 27 hoofdstukken verscheen eerder bij uitgeverij De Bezige Bij, onder een andere titel, namelijk Een Roos Opeten. Ik had de roman zelf geschreven. Het was mijn eerste roman (een schelmenroman, een stripverhaal, een klucht). De NRC schreef: 'In de roman zitten veel vechtscènes.' Een paar dagen geleden vond ik het boek op een stapel in de stad Z. Ik had het boek jaren niet gezien, ik had het niet meer in huis. Ik begon het te lezen. Het was nog lang niet af, zag ik. Vanaf vandaag publiceer ik de roman zoals hij bedoeld was. Dit is hoofdstuk 1.

donderdag 7 november 2019

Ze droeg een grijze jas

Grijze jas
Er was een oude vrouw in het café waar M. werkt.
De oude vrouw was met haar kleinkind.
Ze zaten aan tafel.
Ze dronken espresso en chocolademelk.
Het kleinkind keek niet op of om. 
De oude vrouw keek in het rond.
Ze keek eens naar buiten.
Dan naar schilderijen aan de muur.
Dan naar haar espresso.
Dan naar het schaaltje bitterballen.
En weer terug naar buiten.
Ze droeg een grijze jas.  
Het kleinkind pakte op de tast bitterballen van het schaaltje.

dinsdag 5 november 2019

Alles is beter dan narcisme

Poststempel van het Lagerhuis met "Schande aan 
hem die er kwaad van denkt" 
John Bercow is niet langer Speaker of the House van het Britse Lagerhuis.
De nieuwe Speaker is een man die Lindsay Hoyle heet. 

Hij is gekozen vanwege zijn vriendelijkheid (alles is beter dan narcisme).
De man die Lindsay Hoyle heet stribbelde tegen bij zijn installatie.
Ze moesten hem aan zijn haren naar de speakersstoel sleuren.
Dat hoort bij het ritueel, dat is de traditie (traditie is het bloed van de geschiedenis).