vrijdag 20 december 2019

Piëta met hond (31) / Een kus




PIËTA MET HOND


25


Een kus




'Geef hem maar een kus.'
  'Nee.'
  'Toe, geef hem een kus. Dat zal hij fijn vinden. Vooruit, op z'n wang.'
  Mevrouw de Wolf was overstuur, ik zag het aan haar ogen. Het was smeken en dwingen in één blik, net als altijd. Maar Bram wilde hem die kus niet geven. Hij vond het vies, ook al was het zijn vader. 
  De oude wolf was opgezwollen. Er zat haast geen leven meer in. Maar dood was hij niet. Hij reutelde nog een beetje. Er stond een machine naast hem. Die hield het reutelen gaande. Dat was dus de reutelmachine. Hij was zo bleek als een dooie vis. Ik herkende hem niet eens meer.
  Bram wilde hem geen kus geven. Maar zijn moeder hield niet op. Ze beet zich erin vast als een terriër. Die kus, dat moest en zou. Alsof haar leven ervan afhing.
  'Geef hem een kus. Toe, op z'n wang. Hij zal het fijn vinden, echt.'
  Brams overhemd zat te strak. Hij was weer gegroeid sinds de aanschaf. Het ging hard nu.
  Er waren ook anderen bij. Die anderen, die verafschuwde hij, ik zeg het maar zoals het is. Hij voelde zich niet op zijn gemak. Een oom, nog een oom, een tante, nog een tante, hun kinderen, allemaal van de partij. Die kinderen zeiden 'u' tegen hun eigen vader en moeder, de beleefheidsvorm. U dit, u dat. Het was een kwestie van eerbied, zeiden ze.
  'Omdat ze ons verwekt hebben.'
  Daar was niet tegenop te praten, zo'n onzin.
  Bijna iedereen had hem al een kus gegeven. Nu was Bram aan de beurt. Maar hij vond het vies, ik zei het al. Omdat de dood hem zowat te pakken had. Het was toch zijn reutelaar niet? Het was de hare.
  'Geef hem nou een kus.'
  Toen begonnen die ooms zich ermee te bemoeien. De een was een politieagent, een zakkenwasser van het zuiverste water. Een knappe kerel om te zien, dat wel. Hij was een echte tiran, van het soort dat grapjes maakt en kunstjes kan. Een lachebek. Een peukje dat hij tussen zijn lippen hield kon hij pakken met het puntje van zijn tong en heel lang binnen in zijn mond houden, brandend en wel, tot er rook uit zijn oren kwam. Hij deed het vaak, bij wijze van lolletje. Een lolletje met zijn tongetje. Hij dacht dat Bram het interessant vond. 
  De andere oom was een officier in het leger. De oorlog had hem geknakt, letterlijk en figuurlijk. Er zat geen levenslust meer in. Dat had de oorlog hem afgeleerd, eens en voor al. Bram vervloekte het hele stel dat daar zat, behalve zijn moeder.
  En daarom gaf hij zijn vader tenslotte een kus. Hij gaf hem een kus op zijn wang met het uiterste puntje van zijn lippen. Het vel was zacht, als fluweel. Maar de haartjes erop waren hard. Hij veegde zijn lippen af met de rug van zijn hand. Ook de binnenkant van zijn lippen veegde hij af. En ook zijn tong. Misschien was het besmettelijk, de dood.
  Hij had het voor zijn moeder gedaan, die kus. Hij zag wel dat ze veel verdriet had.
  En toen blies de oude wolf zijn laatste adem uit. Een zucht en afgelopen was het, voorbij. Nu hoefde hij nooit meer te roepen:
  'Ik ga dood!'
  Nu was hij het. 
  Verpleegsters holden op hem toe. Ze begonnen hem te wassen, snel, een laatste keer. Hup, op zijn zij. Op zijn andere zij. Naalden werden uit hem getrokken, pleisters werden van hem afgerukt. De reutelmachine werd in vliegende vaart de kamer uitgereden. Het ding was ergens anders nodig. We kregen er een priester voor terug.
  Daar lag hij dan, de oude wolf. Zo dood als wat. Het werd stil.
  'Hij moet nog wat zeggen,' zei mevrouw de Wolf steeds. Het was het verdriet. Ze kon er niet mee ophouden.
  'Hij moet nog wat zeggen.'
  En dat was het einde van een tijdperk.
  
Mevrouw de Wolf deed een opgerolde handdoek onder zijn kin.
  'Een dode met open mond, dat is geen mooie dode,' zei ze. Daarna gaf ze hem een kus. Het was de eerste kus die ze hem gaf sinds vele jaren.
  Hij werd nog dezelfde dag begraven.
  Ze maakte hem mooi voordat hij de kist in ging. Ze zocht de broek uit die hij aan moest, het overhemd, de jas. Ze deed hem een paar nieuwe sokken aan, want er zaten gaten in zijn sokken. Zijn twee grote tenen staken er doorheen als twee idioten. Ze trok hem zijn mooist schoenen aan, kamde zijn haar en waste zijn gezicht.
  Ze praatte honderduit tegen hem. En ze kuste hem een paar keer met alle tederheid die in haar was, op zijn voorhoofd, op zijn wangen.
  Toen ze klaar was zei ze:
  'Zo jongen, dat was het.'
  Meer zei ze niet en mooier zei ze het ook niet.
  Ze vroeg of ik een praatje wilde houden op de begrafenis.

Piëta met hond (30) / Wodka




PIËTA MET HOND


24


Wodka





Er kwam een man het verlichte terrein van het pompstation op wankelen. Af en toe viel hij bijna voorover of opzij, maar telkens wist hij net op tijd zijn evenwicht te hervinden. 
  'Kijk eens wie we daar hebben,' zei mijn nieuwe collega. Schijnbaar kwam die man wel vaker langs.
  Eerst moesten we lachen, maar toen zag ik wie het was. Het was de oude wolf. Als er geen drank meer in huis was, dan ging hij nog wat proberen te kopen in het pompstation. De snelweg waar het pompstation aan lag liep praktisch door onze buurt.  
  Hij was zo dronken. 
  'Collega, stoppen met lachen.'
  Ik liep naar de oude wolf toe. 
  Hij herkende me niet eens, zoveel had hij gedronken. Hij wilde wodka.
  'Wodka!' riep hij.
  Net iemand in de woestijn die riep:
  'Water!'
  Het pompstation verkocht geen wodka. Alleen bier, wijn, frisdranken en benzine. 
  Ik probeerde de oude wolf overeind te houden. Hij leunde zwaar tegen me aan. Ik deed zijn haren goed met mijn hand.
  Toen zakte hij door zijn knieën en hij viel op de grond.
  'Collega, kom helpen.'
  Ik probeerde hem weer overeind te krijgen. Hij was zo zwaar. 
  Zo zwaar als een sloopkogel.
  'Meneer de Wolf!'
  Zo zwaar als een stad.
  'Meneer de Wolf, alstublieft!'
  Zo zwaar als een planeet.
  Hij lag op de grond, op het asfalt. Hij trok zijn benen op en viel in slaap. Hij lag erbij als een kind in de wieg. 
We pakten hem bij zijn oksels en voeten en droegen hem naar binnen. Hij boog door in het midden. Zijn gat schuurde over de grond.
  'Waar moeten we hem laten?' vroeg mijn collega.
  Het pompstation was maar een klein hokje. Er zat niets anders op dan de oude wolf achter de toonbank neer te leggen.
  'Is hij dood?' vroeg mijn collega.
  'Nee hoor, hij ademt. Meneer de Wolf, u doet toch niet net alsof?'
  'Ik ga dood,' zei hij met dubbele tong. Dat zei hij altijd, dus dat was geruststellend.
  'We moeten hem op een stoel zetten, collega,' zei ik. 'Het is niet goed om te liggen als je zo dronken bent, dan kun je stikken in je emesis. We moeten ook z'n colbert uittrekken en z'n stropdas losmaken.'⁸
  Terwijl we daarmee bezig waren kwam er een klant binnen met een bivakmuts op. 
  Ik glimlachte naar hem. Dat was mijn sterke kant.
  'Handen omhoog!' zei hij. 
  Ik herkende die stem. Het was de stem van de overdreven gespierde, van de overdreven getatoeëerde, wiens portemonnee Bram en ik hadden gevonden.
  'Handen omhoog!'
  Ik deed ze omhoog, alletwee.
  'En nou met één hand de kassa openmaken.'
  'Ik zou niet weten hoe dat moet,' zei ik, 'ik werk hier vandaag voor het eerst, ik werk hier nog geen uur.'
  Hij drukte de loop van zijn revolver tegen mijn voorhoofd. Ik werd er niet koud of warm van, eerlijk gezegd. Ik had een beetje met hem te doen.
  'Openmaken of ik schiet je kop eraf.'
  'Collega,' zei ik met mijn ene hand omhoog, 'deze meneer hier wil graag dat ik de kassa openmaak. Ik denk dat hij het geld wil hebben dat erin zit.'
  'Dat heb je goed geraden, Eikelenstein,' zei de overvaller.
  'Collega,' vroeg ik, 'waar zit de knop voor het openmaken van de kassa?'
  'Er is geen knop,' zei hij.
  'Ga nou niet de held uithangen,' zei ik, 'het is maar geld. Natuurlijk is er een knop. Elke kassa heeft zo'n knop.'
  'Deze niet,' zei hij. 
  'Maar meneer wil z'n geld, knop of geen knop.'
  Ik glimlachte naar de overvallen. Hij knipoogde terug. Herkende hij me? Of mocht hij me gewoon wel op het eerste gezicht?
  De oude wolf kreunde. Hij ging niet goed met hem. Hij liep paars aan. We moesten de ambulance bellen.
  'Een ogenblikje,' zei ik tegen de overvaller. 
  En tegen de oude wolf: 
  'Hou vol. Eerst even deze meneer helpen, dan bellen we de ambulance.'
  Mijn heldhaftige collega probeerde op de alarmknop onder de toonbank te drukken. De overvaller schoot hem neer. Hij bloedde hevig. Het bloed liep keurig door de voegen tussen de vierkante vloertegels, waardoor er langzaam een ruitpatroon van kaarsrechte rode lijnen ontstond. Mijn collega werd geometrisch.
  Ik sloeg keihard met mijn vuist op de kassa en hij sprong open. Ik gaf de overvaller al het papiergeld. Het was niet zo veel als er in zijn portemonnee had gezeten toen Bram en ik die vonden. Maar nu had hij weer wat geld en zo zie je maar hoe het kwade het goede kan baren. 
  De munten gaf ik hem niet. Ik dacht dat het niet handig was voor een overvaller, al die rammelende munten.
  'De munten ook!' zei hij.
  Ik gaf ze hem, handen vol, maar hij gaf ze terug, zeggende: 
  'Die zijn voor jou.'
  En weg stoof hij, de warme, donkere avond in.
  Er kwamen twee ambulances, een voor de oude wolf en een voor mijn collega. 
  Ik haalde met water en een zwabber al het bloed weg en werkte tot de volgende ochtend. Er kwamen nog een paar overvallers, maar ik zei dat ze te laat waren. 
  'Pech,' zeiden ze.
  Precies om vijf uur in de ochtend werd ik door de baas van het pompstation op staande voet ontslagen, vanwege het kasverschil. 
  'Daar kan ik toch niks aan doen?' zei ik.
  'Dat maakt geen donder uit,' zei hij.
  Zo ging het er dus aan toe op de arbeidsmarkt. Als dank gaf ik hem een soejang op zijn kaak.⁹ Hij tolde door de zaak. In zijn val nam hij van alles mee wat op de schappen stond – blikken olie, pakjes chocomel, zakken chips, belegde broodjes, marsen, flessen wijn, bossen bloemen, en noem maar op. Tenslotte viel hij languit op de grond, op zijn rug, zijn armen en benen wijd. Het was mijn eerste knockout.
  Ik ging meteen door naar het ziekenhuis, naar de oude wolf, om te kijken of hij het overleefd had allemaal.

⁸ Emesis is de wetenschappelijke term voor braaksel; het is tevens de wetenschappelijke naam van een geslacht van vlinders uit de familie van de prachtvlinders (riodinidae).
⁹ Vroeger ook wel, heel mooi, kakement genoemd.

maandag 16 december 2019

Piëta met hond (29) / De omgekeerde wereld




PIËTA MET  HOND


23


De omgekeerde wereld




Ze zei dat ik er verfomfaaid uitzag.
  'Wat is er met je gebeurd? Je zit onder de bulten en blauwe plekken. Je neus is helemaal paars en opgezwollen. En je wenkbrauw... En wat hebben ze met je haar gedaan? Ik zal het straks even bijknippen.'
  Maar mijn nieuwe schoenen vond ze mooi.
  Ze ging bij me op schoot zitten. Ze was weer op de versiertoer. Buiten stonden de sloopmachines te wachten. Onze wereld stond op instorten – maar zij ging op de versiertoer. Net de vrolijke apocalyps.
  'Doe alsof ik jong en mooi ben,' zuchtte ze.
  Ze ging met haar vingers door mijn haren. Ik kon haar adem ruiken (rosé). Haar vingers trilden. Ze hijgde een beetje en haar pruik stond scheef. Ik deed hem recht.
  Ze had haar sexy kleren aangetrokken, met de jarretels, de rode lippenstift en de hoge hakken. Ze had een plens eau de cologne over zich heen gegooid. Haar ogen waren gesloten. Ze deed of ze weer jong en mooi was.
  'Het is oorlog,' zei ik.
  Dat was protocol. 
  'Ja, oorlog,' zuchtte ze.
  'En ik ben een vijandige soldaat,' zei ik.
  Ook protocol.
  'Ja,' zuchtte ze, 'en ik werk in een café. Alle soldaten van de vijand komen er. Ze roepen mij. En jij roept mij. Ik heb een bloem in m'n haar, hoewel het oorlog is. Ik ga bij jou op schoot zitten. Je ruikt zo lekker. Als het zo lekker ruikt in de hemel, dan wil ik later naar de hemel. Maar als het zo lekker ruikt in de de hel, dan wil ik naar de hel. En je zegt allemaal lieve en grappige dingen tegen me.'
  Nu ging ze lachen als een jong meisje.
  'Ik hou van je,' zuchtte ze. Ze deed haar wang tegen mijn wang.
  Het was zo'n slecht toneelstukje. Ik wilde er liever niet aan meedoen, maar toch deed ik het. Omdat ik haar graag mocht, snap je? Voor haar. 
  Ik kende het hele toneelstukje uit mijn hoofd. Het luisterde nauw. Als ik iets verkeerds zei, dan was de betovering meteen verbroken en werd ze nog kwaad op de koop toe.
  'En jij streelt mij teder en liefdevol,' zuchtte ze.
  Ik strelen.
  Zo ging het nog een tijdje door. Haar verre verleden heerste over haar. Ze wilde me niet vertellen wat er gebeurd was. Het was het ergste wat ze ooit had meegemaakt, zei ze.
  Zo is de omgekeerde wereld. 
  'Waar is Bram?' vroeg ze toen de wereld weer rechtop stond.
  'Die is op pad met z'n spuitbussen.'
  'Kan ik even naar de wc?'
  'Ja hoor, maar hij trekt slecht door.'
  Onderweg naar de wc zag ze mijn stofzuiger en daarover zei ze het volgende, opgeruimde zinnetje:
  'Hé! Ik heb precies zo'n stofzuiger.'
  Ze was altijd aan het stofzuigen. Haar stofzuiger was haar reddingsboei.
  Toen ging de bel. De vorige bewoner had een bel die 'waf waf' deed, als een blaffende hond. Maar die had ik eraf gehaald. Als je hem laat zitten, denken de mensen dat het jouw idee is. Mijn bel deed gewoon 'ring ring'.
  Normaal deed ik niet zomaar de deur open als er werd aangebeld. Ik keek altijd eerst uit het raam, wie daar was. Het kon wel de duivel in eigen persoon zijn.
  Maar nu deed ik de deur open zonder te kijken wie daar was.
  'Wie is daar?' riep ik in het trappenhuis.
  'Een vriend!' riep een stem. Omdat het zo waaide in het trappenhuis kon ik niet horen welke vriend.
  'In nood?' vroeg ik.
  'Het is maar hoe je het bekijkt.'
  'Kom boven,' zei ik.
  Het was Kees. Hij stormde de trap op. Hij begon al op de trap tegen me te praten.
  'Ik heb de schoenendoos met briefjes weggegooid,' klonk het uit het spiraalvormige trappenhuis. 'Ik ben verliefd... Jezus man, wat woon je hoog. Het lijkt wel de Chimborazo.'⁷ 
  
  'Dus zó voelt het,' hijgde hij toen hij eindelijk boven was.
  'Voelt wat?' vroeg ik.
  'Verliefdheid,' hijgde hij.
  Mevrouw de Wolf schoot snel een ochtendjas aan.
  'Ga zitten,' zei ze tegen me, 'dan knip ik je haren even bij.'
  Ik ging op een kruk zitten, midden in de kamer, en ze begon te knippen.
  'Dus je bent verliefd?' vroeg ze aan Kees op moederlijke toon.
  'Ja mevrouw,' zei Kees netjes, 'en ik weet niet wat ik moet doen. Ze lijkt niet bepaald verliefd op mij. Ze ziet me niet eens staan. Dat is onbekend terrein. De meisjes en vrouwen vliegen altijd als gebraden kippetjes in m'n mond. Ik overdrijf niet, het is gewoon zo, vraag maar aan Herman.'
  'Het is waar,' zei ik, 'hij had een schoenendoos vol briefjes van verliefde meisjes en vrouwen. Hij hoefde ze maar te bellen.'
  'Dat kan ik me voorstellen,' zei mevrouw de Wolf, 'je bent een zeer aantrekkelijke jongeman, een bijna onweerstaanbare jongeman.'
  'Het probleem is,' zei Kees, 'dat ik niet weet wat ik moet doen. Ik ben als een generaal die al z'n veldslagen heeft gewonnen zonder te vechten. Ik weet gewoon niet hoe ik een vrouw moet veroveren, hoe ik haar liefde moet winnen. '
  Dit was nou net de expertise van mevrouw de Wolf. Ze stak meteen van wal.
  'Je moet bij het veroveren niet al te voorzichtig te werk gaan,' zei ze. 'De vrouw is een liederlijker wezen dan de man en de hartstocht laait niet in haar op door voorzichtigheid. En je moet het niet over haar schoonheid hebben waar ze bij is. Daar houden vrouwen niet van. Het maakt dat ze zich van porselein gaan voelen, terwijl hun schoonheid diep van binnen voelt als de kaken van een roofdier.'
  Kees had zijn aantekeningenboekje tevoorschijn gehaald, zoals altijd, en was begonnen met notities maken.
  'Er zijn drie soorten woorden waarmee je een vrouw kunt verleiden,' ging ze verder. 'Mooie woorden, komische woorden en schunnige woorden. En daarvan zijn de komische woorden het belangrijkst. Want door het lachen komt er tussen de benen van de vrouw een gevoel van vrijheid en openheid; de vrouw lacht namelijk nooit alleen met haar orale lippen (sic). Maar van alle woorden zijn de komische het moeilijkst om te vinden. Als ze niet om je grapjes hoeft te lachen, dan heb je het eigenlijk meteen verknoeid. Maar als je haar aan het lachen maakt, dan heb je haar halve lichaam al veroverd.'
  'Momentje,' zei Kees. 
  Hij moest flink pennen om haar bij te houden.
  Mevrouw de Wolf pauzeerde even, terwijl ze doorging met knippen.
  'Gaat u verder,' zei Kees, toen hij weer bij was.
  'Ik weet niet of het je wel eens is opgevallen, maar wanneer twee vrouwen zitten te praten over een man, dan moeten ze altijd een beetje lachen. Ook al zijn ze kwaad of verdrietig, toch verschijnt vanzelf dat typische vrouwenlachje op hun lippen, dat de uitdrukking van een geamuseerdheid is. En hoe diep je je peillood ook in dat vrouwenlachje laat zakken, je raakt nooit de bodem. Het is niet te peilen. Wat is het dat vrouwen zo amuseert aan mannen?'
  Kees en ik dachten na. Het is niet gemakkelijk om over je eigen lachwekkendheid na te denken. Je moet dan als het ware buiten jezelf treden om jezelf van een afstandje te bekijken. Je moet jezelf als een soort geintje van de schepping gaan beschouwen. En dat is nogal een tegendraadse manoeuvre, net alsof je midden in het vuurgevecht uit de loopgraaf klimt om even een luchtje te scheppen en de benen te strekken.
  'Ik weet het niet,' zei ik.
  'Ik ook niet,' zei Kees, 'maar ik snap wat u bedoelt. Ik ken dat vrouwenlachje wel. Terwijl wij – wij mannen, bedoel ik – juist helemaal niet lachen als we het over vrouwen hebben. We zijn vol bewondering, vol begeerte, vol afschuw of vol ernst, maar we zijn nooit geamuseerd.'
  'Precies,' zei mevrouw de Wolf, 'en aangezien de geamuseerdheid van een hogere orde is dan de niet-geamuseerdheid, is de vrouw een hoger wezen dan de man. Tussen mannen en vrouwen gaapt zo'n diepe kloof, dat ze alleen op de vleugels van de grote liefde naar elkaar toe kunnen vliegen. Over de grond is er geen weg, geen pad. Als je dat maar goed onthoudt, dan komt het met die verovering wel goed.'
  Ze was klaar met knippen, wenste Kees succes en vertrok. In de deuropening nam ze afscheid met de woorden:
  'Je haar zit nu goed. O, en je moet je nieuwe schoenen een nacht lang in de kamillethee laten trekken, daar worden ze zacht en soepel van. En om het bloeden van je oor te stoppen moet je vers gemalen zeepaardjes eten of het Chinese medicijn Aap springt over de muur slikken.'
  Kees en ik gingen naast Dadias d'Arbrisseau op de bank zitten. Twee geintjes van de schepping en een hond
  'Wil je een glas slivovitsj?' vroeg ik.
  Dat wou hij wel.
  'Weet je waarom de Russen zoveel drinken en de Amerikanen niet?' vroeg ik vanuit de keuken.
  Dat wist hij niet.
  'Wel,' zei ik, 'de Amerikanen houden van oplosbare problemen, terwijl de Russen juist van onoplosbare problemen houden. Daarom hebben ze die ook, en daarom drinken ze veel meer.'
  We sloegen onze glazen vol slivovitsj achterover, en daarna namen we ieder nog een vol glas.
  En ik was net van plan om naar het pompstation te gaan, toen er iets wegvloog uit de kamer, zo zonder spektakel, als een blaadje dat loslaat van een tak.
  Het was de ziel van Dadias d'Arbrisseau.
  De ziel kwam niet door zijn mond naar buiten, maar vanonder zijn staart.
  Hij was in een hoek van de bank gekropen. Hij kon niet tegen afscheid.
  De volgende ochtend begroeven Kees en ik hem onder een plataan in het Flevopark. We hielden een kleine ceremonie, waarbij we allebei onze hoed afnamen, ook al droegen we geen hoed. Ik kerfde zijn naam met een mes in de bast.

Dadias d'Arbrisseau 

  Het jaar daarop later kwamen er grote rode hartvormige bloemen aan die plataan. Nog nooit hadden de plantkundigen zoiets gezien. Ze stonden paf. Het was een raadsel, verklaarden ze. Maar volgens mij was het een wonder.

  Onderweg naar het pompstation, op het drukke Prins Bernhardplein, stond een man het woord gods te verkondigen. Hij stond aan de zijkant van het plein, precies tegenover een tramhalte, en verkondigde het woord vol vuur. Hij droeg een mooi pak met een hagelwit overhemd eronder. Het overhemd stond goed bij zijn donkere huid. Op de grond, vlak voor zijn voeten, stond een hutkoffer en in zijn hand hield hij een bijbel. Hij was een mooi exemplaar, in leer gebonden, waarop in glimmende gouden letters 'De Bijbel' stond. Hij las voor uit de tien geboden. Na elk gebod begon hij uit te leggen wat het te betekenen had en hoe hij er zelf over dacht. Zo maakte hij bij het gebod

Gij zult niet stelen

een uitzondering voor parmaham – merkwaardig genoeg – en hij ging daar zo uitvoerig op in dat het wel leek alsof hij definitief van de tien geboden op het onderwerp parmaham was overgestapt.
  Zijn stem was luid en plechtig, en swingend op de manier van gospel. Af en toe begon hij heftig met zijn hoofd van nee te schudden, waarbij het wit van zijn ogen twee keer zo groot werd. Hij liep driftig heen en weer en soms begon hij langdurig en angstaanjagend te lachen. Het was een hele voorstelling. Hij had een grote witte zakdoek waarmee hij steeds het zweet van zijn voorhoofd veegde. Af en toe nam hij een slok uit een fles die in de hutkoffer stond. 
  Zijn publiek bestond uit mensen die op de tram stonden te wachten. Elke tien minuten nam een tram zijn hele publiek mee.

⁷ De Chimborazo is de hoogste berg ter wereld, gemeten vanuit het middelpunt van de aarde. Vanaf de zeespiegel gemeten is de Mount Everest de hoogste berg ter wereld.

donderdag 12 december 2019

Piëta met hond (28) / Ik was een onderzeeër




PIËTA MET HOND


22


Ik was een onderzeeër




Ik was blij dat Lisa weg was, zo kwaad was ik. Ze moest het zelf maar uitzoeken met haar embryo. Maar toen de kwaadheid voorbij was, begon ik me zorgen te maken. Ik zeg het maar zoals het is.
  Ik strompelde weer naar beneden, de straat op. Ik ging proberen haar te vinden. Ik had koorts en allerlei visioenen, geen hemelse. Mijn ogen waren opgezwollen, door de soejangs. Mijn neus – mijn rechte neus – leek wel een glasscherf, zo'n pijn deed hij.
  Dadias d'Arbrisseau ging mee. De dierenarts was langs geweest en had hem pilletjes gegeven, waardoor het leven voorlopig in hem was teruggekeerd. Hij moest geopereerd worden. 
Ik had hem aan een broekje van Lisa laten ruiken. Alle aroma's zitten in de broekjes.
  'Zoek, Dadias, zoek!'
  Hij was tenslotte een jachthond. Zijn neus was minstens vijfhonderd keer beter dan de mijne. Hij rook dwars door betonnen muren heen. Daar kon ik niet tegenop, hoewel ik een bijzonder goede neus had. De beste neus die mijn dokter ooit aan het werk had gezien, zei hij. 
  Toen gaf Dadias d'Arbrisseau te kennen dat hij haar geroken had.
  'Waar, Dadias, waar?'
  Daar liep ze. Op de sluitende markt. Met een jongen. Of een man. Laten we zeggen een jongeman. Wat een knappe jongeman. Wat een adonis. Ze liepen gearmd. Haar hoofd lag tegen zijn schouder en er lag een gelukzalige glimlach op haar lippen. Wat een romantiek.
  Ik strompelde erop af. Ik moet een vervaarlijke indruk hebben gemaakt, want de mensen stoven uiteen. 
  De adonis sloeg ik eerst in elkaar. Ik had de smaak te pakken. Je moest er gewoon op los timmeren, dat had ik van Bram en mijn vader opgestoken. Dus timmerde ik hem tot moes. Hij viel tegen een fruitstalletje. Het stalletje stortte in elkaar. Appels en sinaasappels rolden over de grond. Ze verdwenen in de zakken van de omstanders.
  'M'n handel, m'n handel!' gilde de marktkoopvrouw.
  Toen wilde ik Lisa een soejang geven. Geen tijd voor subtiliteiten. Ik wilde haar de waarheid zeggen. Hoe ik over haar dacht. Geen doekjes er omheen winden.
  'Pak 'r aan, die teringhoer!' riep een omstander. Het was een verfijnd volkje.
  Maar mijn hand deed niet wat ik wilde. Mijn mond deed niet wat ik wilde. De blik in haar ogen zal ik nooit vergeten.
  Ze gaf me een klap, recht in mijn gezicht, op het vlees van mijn wang. Dat kon er ook nog wel bij.
  Ik legde aan voor de tegenstoot, maar weer deed mijn hand niet wat ik wilde. Tenslotte was ze een meisje. Een vrouw. Laten we zeggen een jongedame. Maar wat een streken. Dat beloofde wat voor de toekomst.
  Haar adonis krabbelde overeind. Hij had geen goede bedoelingen met me, zag ik. Maar ergens begreep hij me wel, dat zag ik ook. Ik mocht hem wel, bij nader inzien. Lisa veegde wat bloed van zijn gezicht met haar hand.
  Vanaf dat moment was het oorlog tussen Lisa en mij. Oorlog tussen de geslachten.
  Ik gaf mijn naam en adres aan de marktkoopvrouw.
  'Stuur de rekening maar,' zei ik.
  'Lik m'n kut,' zei ze. Echt een verfijnd volkje.
  Het schept een band, zo'n embryo. Daar brengen geen honderd vriendjes verandering in.
  Morgenochtend om elf uur moest Lisa naar de kliniek van dokter Ping. Dat stond in haar briefje. Meer stond er niet in, behalve:

Ik geloof niet meer in God

Dat vond ik zo smartelijk.
  We strompelden naar huis, Dadias d'Arbrisseau en ik. We leken net twee oorlogsinvaliden (alleen aan mijn schoenen kon je nog zien dat we in vredestijd leefden).
  Ik legde hem op de bank en ging naast hem liggen, mijn armen om hem heen. Dat vond hij fijn.  
  We vielen in slaap. Ik droomde dat ik een onderzeeër was. Ik lag doodstil op de bodem van de oceaan. Wat Dadias d'Arbrisseau droomde weet ik niet, maar hij lachte in zijn slaap.
  Straks moest ik naar het pompstation. Het was nachtwerk. Dat had het uitzendbureau goed geregeld.
  We waren nog maar net in slaap of mevrouw de Wolf klopte op de deur in de verschrikkelijkste van al haar stemmingen.
Wat deden we hier nog? De sloopmachines rukten al op. De wind joeg door het trappenhuis.

  Er kwam nooit een einde aan, dat wist ik nu al, daar hoefde ik geen honderd jaar voor te worden.

woensdag 11 december 2019

Piëta met hond (27) / Een man uit duizend




PIËTA MET HOND


21


Een man uit duizend




Dadias d'Arbrisseau rilde. Ik moest hem gauw op de bank leggen met een ijszak op zijn hoofd.
  'Naar de Tweede Oosterparkstraat.'
  Het spitsuur was voorbij, we waren er in een ommezien.
  De zilveren bedelaar stond op zijn kist. Hij was weer bezig met zijn roerloosheidsact. Ik gaf hem een briefje van vijftig. Hij nam zijn zilveren hoed voor me af met een extra brede zwaai en een extra diepe buiging.
  Schuin tegenover mijn huis stonden mensen omhoog te kijken. Er vlogen allerlei spullen uit het raam van de de Wolfs, maar er was verder niemand te zien. Het was net of het huis al die spullen op eigen houtje aan het uitspugen was.
  Een vissenkom brak in gruzelementen op de straatstenen (wat er met de goudvis gebeurde was zo erg, dat ik er liever over zwijg).
  Een regenjas zweefde naar beneden, gevolgd door vijf tennisballen die de regenjas onderweg inhaalden en levenslustig verder stuiterden op de straatstenen.
  En daar vloog de koekoeksklok naar buiten met een wijde boog.
  Zo'n statige klok, zo'n vriendelijke huisgenoot.
  Hij was altijd maar aan het tikken, die koekoeksklok. Als je erop ging letten werd je moedeloos, zo langzaam ging het getik. En dat is eigenlijk vreemd, want de tijd gaat snel, zoals het spreekwoord zegt. Hoe kan de tijd zo snel gaan en de klok zo langzaam?
  'Koekoek,' waren de laatste woorden van de klok. Iets anders had hij nog nooit gezegd.
  'Stomme koekoeksklok!' gilde mevrouw de Wolf hem na uit het raam.

  Vroeger was mevrouw de Wolf mooi. Ze had nog in de Vogue gestaan. Soms moet je het even over vroeger hebben.
  Er waren talloos veel mannen aan haar deur verschenen toen ze nog jong en mooi was, de een met een nog geuriger en kleurrijker bloemenboeket dan de ander. Maar ze moest niks van ze hebben. Op het laatst smeet ze de deur voor hun neus dicht.
  Eén man, uit duizend, kwam steeds terug. Hij had een klein rond hoofd dat glom van zweet. Zijn oogjes glinsterden van intelligentie.
  De derde keer dat hij terugkwam liet ze hem binnen. Ze vond hem grappig. Ze moest om hem lachen.
  Die man was de oude wolf, toen hij nog jong was.

  Er vlogen armen vol witte onderbroeken van de oude wolf uit het raam. Ze zweefden waardig naar beneden en maakten een zachte landing.
  En daar kwamen Brams verfspuitbussen naar beneden. Bram hechtte niet zo aan spullen. Maar die spuitbussen, dat was zijn toekomst. Hij poetste ze op met eau de cologne.
  En wat kwam me daar aanzeilen? Het was elke keer weer een verrassing.
  Wat een stijfkop was mevrouw de Wolf. Ze wilde niet in een nieuwbouwhuis. De gemeente had er haar wel honderd aangeboden, met een tuin voor en achter. Het was een nachtmerrie voor haar, zo'n nieuwbouwhuis. Nergens een plek om je te verstoppen. De zon kwam in elke hoek. De zon kwam overal. De zon was de Gestapo van de nieuw-bouwhuizen.
  Morgen moesten we weg zijn. De sloopmachines stonden al te wachten. Hun motoren waren al aan het warmdraaien. De de Wolfs hadden niks ingepakt. Ze dachten tot het allerlaatst dat iemand er wel een stokje voor zou steken, een hoge ome bij de gemeente. Dat was niet het geval.
  Eindelijk kwamen er twee agenten. Eén van hen had gevoelige hertenogen, zoals ik al eerder zei, en daardoor werd mevrouw de Wolf rustig.
  Op de gevel van ons pand was een pamflet gespijkerd, waarop geschreven stond in goed leesbare drukletters:

Openbare executieverkoop

  Dat had de deurwaarder gedaan. Door alle gebeurtenissen was ik hem glad vergeten.
  Ik strompelde de trap op met alle cadeaus. 
  Wat scheef stond ons pand toch. Bijna net zo scheef als de toren van Pisa op het Plein der Wonderen, zoals ik al zei. Het is geen gebouw meer, die toren, het is een aangrijpende manier om scheef te staan. Je kunt er zo lang naar kijken als je wilt, de dorst van je ogen wordt nooit gelest. Het is gewoonweg drinken met behoud van dorst. Dit terzijde.
  'Lisa, hier ben ik. Ik heb een nieuwe zomerjurk voor je, doe maar aan. En parfum, giet maar over je heen, klokklokklok. En een ring, doe maar om. Het duurste van het duurste.'
  Maar ze was er niet meer. Ze was weg gegaan met al haar spullen en haar konijn (marmot). Het enige wat er van haar was overgebleven, was een envelop met een briefje erin. Die lag op tafel. 
  Ik maakte de envelop open, las het briefje en legde Dadias d'Arbrisseau voorzichtig op de bank.
  'Het komt allemaal goed,' zei ik tegen hem.
  Maar daar was ik allerminst zeker van.

Piëta met hond (26) / Het ontstaan van het heelal




PIËTA MET HOND


Deel Drie 


Waarom de geliefden elkaar omhelzen


20


Het ontstaan van het heelal





Om bij Marianne te komen moest je veel trappen op, nog meer dan bij mij.
  Amsterdam is een stad van (smalle) trappen. En dat, terwijl de stad gewoon in het vlakke land staat. Naar alle kanten is er ruimte om te groeien. Maar onze architecten zetten de huizen liever boven op elkaar dan naast elkaar.
  Ik was zo zwaar beladen dat Marianne eerst een paar dozen opzij moest schuiven om te kunnen zien wie ik was.
  'Hé, ben jij het,' zei ze. 'Wat ben je vroeg. Kom binnen.'
  Ze was rek- en strekoefeningen aan het doen. Ze had strakke kleren aan, waardoor je haar figuurtje goed kon zien. Ze ging op één been staan. Het andere been tilde ze omhoog zodat het naar het plafond wees.
  Als Marianne een klok was geweest, en haar benen de wijzers, dan was het nu precies zes uur.
  'Ik kom afscheid nemen,' zei ik.
  'Echt?' glimlachte Marianne, terwijl ze aan haar oor krabde met haar grote teen.
  'Echt,' zei ik, 'maar nu moet ik eerst Dadias halen. Hij ligt beneden op me te wachten. Ik had niet genoeg armen om hem te dragen. Ik ben tenslotte Shiva niet.'
  Ik liep alle trappen weer af. Beneden nam ik Dadias d'Abrisseau in mijn armen. Er ging een oog van hem open. Hij keek me aan met zijn glanzende oog. Ik voelde aan zijn neus – die was warm – en ik aaide hem. Ik veegde zijn kuif uit zijn ogen, zodat hij beter kon zien.
  'Marianne?' zei ik toen ik weer boven was.
  'Ja?'
  'Waarom heb je zulke strakke kleren aan?'
  'Nou,' zei ze, 'het geeft me een aristocratisch gevoel, als een schaaldier in de schaal of een ridder in het harnas. Want het is toch vreemd, dat bij ons het zachte vlees aan de buitenkant zit en de harde botten aan de binnenkant?'
  Wat een ingewikkeld antwoord. Maar er zat iets in, dat moest ik toegeven.
  'Mag ik de dierenarts even bellen?'
  'Dat mag,' zei ze.
  Toen gaf ze me een zoen. Ik wilde het niet, maar ik liet het toch gebeuren. Maar ik wilde het niet. En toch liet ik het gebeuren.
  Ik denk dat een sappige kwal, die in zee aan het zwemmen is, zich net zo voelt als twee mensen die aan het zoenen zijn, want ze lijken net één zo'n zeedier geworden.
  We omhelsden elkaar, ik zeg het maar hoe het is. We waren net de twee boksers Mike Tyson en Evander Holyfield. Want je weet toch wel waarom de boksers elkaar omhelzen?
  Uit vrees voor die andere zijn kracht.
  Zo is het ook in liefde.

  En net toen Marianne en ik zo stonden, ten afscheid, kwam mijn vader binnen. Hij had een zuidwester op, hoewel het warm was en windstil.
 Ik zag wel aan hem, dat het stormde in zijn hoofd – ook een goede reden om een zuidwester op te zetten.
  Het was de ene ongelukkige samenloop van omstandigheden na de andere. Het ene misverstand na het andere. Het leven leek wel een klucht. Wat zeg ik: het leven wàs een klucht. Ik had al lang in de gaten dat er nooit een einde aan ging komen. Daar hoefde ik geen honderd jaar voor te worden.
  Marianne en ik sprongen uit elkaar.
  Wat een monster was mijn vader met zijn boosaardig glinsterende ogen. Hij had zeker weer korenwijn gedronken in het café.
  Toen kwam er een woeste grom uit hem. Hij gaf me een soejang. En nog één.⁶
  Ik wilde hem die soejang teruggeven, maar hij was me voor. Ik sprong opzij en zijn vuist ging dwars door een ruit. Door het lawaai van het vallende glas verschenen er mensen voor de ramen.
  'Wat doe je? Waarom doe je zo?' vroeg ik.
  Hij gaf me een keiharde soejang op mijn neus.
  'Krak!' hoorde ik.
  Mijn neus stond scheef. Ik voelde mijn neus op mijn jukbeen liggen, op zijn zij. Ik zag sterretjes. Zo is het heelal dus ontstaan, dacht ik. Door zo'n soejang. En dus zien we voor eeuwig sterretjes, vooral 's nachts.
  Er kwam zo'n huiveringwekkende grom uit mijn vader, dat het wel leek alsof de duivel zelf in hem was getrokken.
  'Maar meneer,' zei ik, 'het is een misverstand.' Meneer was misschien toch maar maar het beste.
  'Als je beleefd gaat doen,' zei hij, 'dan rol ik je op en dan verkoop ik je aan de eerste de beste voorbijganger als wc-papier.'
  Dat vond ik zo komisch uitgedrukt. Maar ik werd er ook geweldig kwaad door.
  Ik stormde op hem af. Hij ging meteen in de vechthouding staan, zijn vuisten voor zijn gezicht. Het leek wel of er horens uit zijn hoofd groeiden, zo kwaad was hij. Wat een machtige, naar binnen gekromde horens.
  Ik mocht hem graag, maar toch vloog ik hem aan met alle kracht die ik in me had. Hij was sterker dan ik, veel sterker. Maar dat kon me niks schelen. We gaven elkaar een paar rake soejangs met onze vuisten. Bij mij hoorde je steeds krak, maar bij hem hoorde je steeds kloink. Hij leek wel een aambeeld. En ik een wandelende tak.
  Toen stopte hij zijn hand in de binnenzak van zijn jas. Ik dacht dat hij een pistool had, of een revolver. Ik dacht dat hij me dood ging schieten. Dat was gelukkig niet het geval. Hij haalde uit om me opnieuw een soejang te geven, maar ik sprong opzij. Daardoor verloor hij zijn evenwicht en hij viel op de grond. Er kwam een oerkreun uit hem.
  Ik liet hem gauw weer opstaan. De adem uit zijn neus was zo heet. Ik gaf hem een soejang op zijn kin.
  'Kloink!'
  Hij gaf me meteen een soejang op mijn wenkbrauw terug. Hij was duidelijk een counterpuncher. Hij begon op mijn botten te roffelen.
  'Krak, krak!'
  Toen nam hij me op zijn horens. Met een machtige zwaai van zijn kop smeet hij me hoog de lucht in. Ik vloog dwars door een ruit. Ik viel zowat vijf verdiepingen naar beneden. Ik kon me nog net vasthouden aan het kozijn
  Er stonden wat mensen op straat. Ze keken omhoog. Ze zagen iemand uit het raam hangen. Sommigen staken er een sigaret bij op.
  'Alsjeblieft,' jammerde Marianne, 'laat hem niet naar beneden vallen.'
  Hij was zo sterk. Hij rook zo naar dier.
  Toen slaagde ik erin mezelf weer aan mijn haren omhoog te trekken. Ik zag een bijl staan in de hoek van de kamer. Ik greep de bijl en stormde op mijn vijand af. Ik wilde hem doormidden hakken, zo kwaad was ik geworden. Ik wilde zijn schedel klieven met de bijl.
  Hij zag aan mijn ogen dat het menens was. Hij zette het op een lopen, roepende:
  'Bijlen zijn niet toegestaan.'
  Ik rende achter hem aan met de bijl. Alle trappen af. En weer op.
  'Niet doen,' jammerde Marianne.
  We gaven elkaar nog een paar rake soejangs, de snuivende bizon en ik. We roffelden op elkaars botten.
  Uiteindelijk bleef ik uitgeput op de grond liggen. Ik kon niet meer.
  Mijn vader schraapte met zijn hoef over de grond. De damp kwam uit zijn neus. De zomer rilde. Hij duwde met zijn horens tegen mijn vlees.
  'Je hebt 'm doodgeslagen,' jammerde Marianne.
  Maar dat was niet zo. Ik richtte me op en stoof weer op hem af.

  Eindelijk hield het gevecht op, door de vermoeidheid. Gelukkig bestond er zoiets als vermoeidheid, anders waren we eeuwig doorgegaan, zelfs op de eeuwige jachtvelden, en zelfs voorbij die velden.
  Mijn wenkbrauw bloedde. Mijn neus was gekneusd. Mijn vader zat te hijgen, hij leek opeens wel een stervende bizon.
  Marianne zei dat ik op een stoel moest gaan zitten, wat ik deed.
  'Even de tanden op elkaar,' zei ze.
  Toen knakte ze mijn neus recht. Want iemand die zelf symbolen van de liefde kan maken, die kan ook neuzen rechtzetten.
  Ik keek in de spiegel. Zo recht had mijn neus nog nooit gestaan.
  Terwijl ik mijn nieuwe neus bewonderde, werd mijn vader aangevallen door zijn hart. Eerst deed hij alsof er niks aan de hand was, maar toen zakte hij op de grond, precies zoals lang geleden, toen we nog in hetzelfde huis woonden.
  'Meneer,' zei ik, 'niet doodgaan.'
  Marianne belde de gele traumahelikopter. 
  'Een ambulance heeft geen zin,' verklaarde ze, 'de brancard kan niet via de trappen naar buiten, ze zijn te smal. Dat is bekend.'
  Mijn vader lag op de grond te hijgen. Marianne deed de knoopjes van zijn hemd los. Wat veel borstharen had hij. Veel meer dan ik.
  Ze deed de riem van zijn broek los en de veters van zijn schoenen.
  'Marianne,' zei mijn vader toen, 'deze jongeman hier is mijn zoon.'
  Het leek wel of hij trots op me was. Hij glunderde. Hij kneep in mijn wang met zijn laatste krachten.
  Marianne keek naar ons alsof ze een regenwolk in brand zag vliegen.
  Toen hield zijn hart op met kloppen. Het was zo stil binnen in hem. Net een groot bos waar geen enkel dier meer in woont. Geen haas, geen vos, geen vogel, niks meer, zelfs geen zuchtje wind.
  Eindelijk kwam de helikopter. Er daalde een brancard aan een touw neer uit de lucht, net alsof god zelf het aangaf. Een verpleger die via de trappen omhoog was gekomen trok de brancard naar binnen en bond mijn vader er stevig op vast.
  Hij werd uit het huis getild. Hij zweefde tussen hemel en aarde. Hij steeg hoger en hoger, tot we hem niet meer zagen, tot hij een stipje was geworden, en daarna nog minder dan een stipje, en daarna, nou ja, niks meer.
  'Ik ga ook,' zei ik tegen Marianne. Ik kon haast niet meer op mijn benen staan, zo moe was ik.
  'So long,' zei Marianne.

⁶ Een soejang is een harde klap, slag of stoot.