Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht liefde in tijden van cholera. Sorteren op datum Alle posts tonen
Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht liefde in tijden van cholera. Sorteren op datum Alle posts tonen

zondag 30 augustus 2020

En we zullen opnieuw beginnen

De oude Gabriel García Márquez met zijn boek
Honderd jaar eenzaamheid

1.
De mildheid van de vastbeslotenen. De onbarmhartigheid van de dolenden. 

2.
Na de dekolonisatie van de landen straks ook de dekolonisatie van de zielen.
Na het neerhalen van de standbeelden straks ook het neerhalen van ster, kruis en maansikkel.
"En wij zullen opnieuw beginnen."¹
 

3.
Woensdag waaide de wind met kracht 9 over het land (het vlakke land).
Schoorsteenkappen, antennes en dakpannen waaiden weg.
Takken braken af.
Kinderen moesten moeite doen om te blijven staan.
Alleen eenden en zwaluwen vlogen nog.
 

4.
In Amerika zijn burgers niet meer van soldaten te onderscheiden.
Iedereen is tot de tanden gewapend.
En iedereen gelooft in god.

5.
De vertoning van president Trump en zijn familieleden bij het accepteren van de Republikeinse nominatie sorteert alleen effect bij een onderontwikkelde bevolking. Wel, daar hebben de Amerikaanse media in de afgelopen zeventig jaar voor gezorgd.
De media regeren over Amerika volgens het credo van Philippus van Macedonië, de vader van Alexander de Grote. Zijn credo was
Verdeel en heers.
Niccolò Machiavelli moedigt in Dell' Arte della Guerra deze wijze van heersen aan, "echter niet als methode om te heersen over het eigen volk, maar als methode om de vijand te verzwakken."²
De Amerikaanse media regeren over het Amerikaanse volk als over een vijand. 

5 (2).
Amerika is wat er gebeurt wanneer mensen zoals Edward Bernays de ruimte krijgen.³
 

6.
Meer dan dertig jaar lang was Liefde in tijden van cholera de mooiste roman die ik kende. Maar een paar weken geleden las ik Honderd jaar eenzaamheid.
Wie anders dan de schrijver van Liefde in tijden van cholera kon Liefde in tijden van cholera overtreffen?

7.
Uit Honderd jaar eenzaamheid:
"'Er gaat iemand komen,' zei Aureliano. 'Ik weet niet zeker wie het zal zijn, maar wie het ook is, hij is al onderweg.'
En inderdaad, 's zondags kwam Rebeca. Ze telde niet meer dan elf jaren. 
Haar hele bagage bestond uit een koffertje met kleren, een houten schommelstoeltje en een grove linnen zak die een onafgebroken klok-klok-klok-geluid veroorzaakte en waarin ze de beenderen van haar ouders meebracht.
Vanaf het moment van haar komst ging ze op haar stoeltje zitten, waar ze op haar duim begon te zuigen en iedereen met grote schichtige ogen aankeek, zonder ook maar te laten blijken of ze verstond wat men haar vroeg.
Aangezien er in die tijd in Macondo geen kerkhof was, omdat er tot dan toe nog niemand was gestorven, bewaarden ze de linnen zak met knekels totdat ze een waardige plaats zouden hebben om ze te begraven en nog lange tijd lagen de beenderen overal in de weg en kwam je ze op de meest onverwachte plaatsen tegen, altijd met dat klokkende geluid als van een broedse kip.
Dagenlang slaagden ze er niet in Rebeca te laten eten. Niemand kon begrijpen hoe ze aan de hongerdood wist te ontkomen, totdat de indianen, die alles opmerkten omdat ze onophoudelijk op hun geruisloze voeten door het huis zwierven, ontdekten dat Rebeca alleen maar trek had in de vochtige aarde van de patio en de brokken kalk die ze met haar nagels van de muren krabde.
Toen Rebeca eenmaal genezen was van haar kwalijke gewoonte om aarde te eten en was overgeplaatst naar het vertrek van de andere kinderen, werd de indiaanse, die bij haar sliep, op zekere nacht bij toeval wakker. In de hoek hoorde ze een vreemd, telkens onderbroken geluid. Vol schrik ging ze overeind zitten, in de mening dat een dier het slaapvertrek was binnengedrongen, maar toen zag ze hoe Rebeca in haar schommelstoeltje zat te duimzuigen met fel oplichtende ogen als van een kat in het donker. Verlamd van schrik, diep bedroefd door het onheilvolle van haar noodlot, herkende Visitación in die ogen de symptomen van de ziekte die haar en haar broer ertoe gedwongen hadden te vertrekken uit een duizendjarig koninkrijk waarin ze koningskinderen waren geweest. Het was de gesel van de slapeloosheid." 

8.
Over aarde gesproken. Volgens de geleerden zijn recente virussen zoals zika, aids, sars, ebola en corona afkomstig van in het nauw gebrachte wilde diersoorten. Zij zeggen dat de vernieling van de aarde door de mens nu ook de menselijke soort zelf in gevaar brengt. Ook zeggen zij dat de mens een nieuwe relatie moet vinden met de aarde voordat de aarde deze nieuwe relatiein wezen het herstel van een oudemet grof geweld afdwingt. Wanneer is alles zo verstoord geraakt? 
Onze geleerden komen niet verder dan: 
"Kapitalisme." 
"Industrialisatie."
"Vervuiling." 
Maar de noodlottige verstoring vond op een eerder moment plaats. Het is het moment waarop de mens (zoals te lezen valt in de heilige boeken van het monotheïsme) op radicale, agressieve en noodlottige wijze uit de natuur werd gerukt als een plant uit de grond en werd gepresenteerd als een schepsel Gods. 
Een God als schepperhet was eerder vertoond, maar nooit met zoveel eenkennigheid en fanatisme.
Het oude Europese pantheïsme en polytheïsme en de oude Aziatische tradities kenden noch de radicale ontworteling uit de natuur noch de bijbehorende demonisering van de natuur, en zouden nooit in staat zijn geweest tot de vernielingen aan de aarde waartoe het monotheïsme en het daaruit voortgekomen kapitalisme in staat zijn gebleken.⁵
Wat wij nu gaan meemaken is niks minder dan de terugwijzing van God. Niet door stervelingen zoals Charles Darwin of professor Nietzschemaar door de aarde zelf.
De almachtige bevindt zich onder onze voeten.
 

9.
Over het voor de antieke wereld verbijsterende fanatisme en het gebrek aan zelfspot bij de aanhangers van het monotheïsme (toen nog alleen joden en christenen) vertelt Mary Beard in haar Ockhamse meesterwerk S.P.Q.R de volgende anekdote. Zij schrijft: 
"Bijzonder onthullend is het verhaal van een christenvrouw die er in het jaar 203 n. Chr.⁶ toe veroordeeld werd voor de wilde dieren te worden geworpen in het amfitheater van Romeins Carthago. In het algemeen leefden christenen in het Romeinse Rijk zonder door ingrijpen van de staat te worden lastiggevallen, maar af en toe werden ze als zondebok gebruikt.
Vibia Perpetua, een pas bekeerde christin, was ongeveer tweeëntwintig jaar oud, getrouwd en had een klein kind, toen zij werd gearresteerd en voorgeleid aan de procurator van de provincie, die als plaatsvervanger van de recentelijk overleden gouverneur optrad. Haar verslag is het langste, persoonlijkste en intiemste verhaal van een vrouw over haar eigen ervaringen dat we nog hebben uit de hele antieke wereld. Ze weidt uit over haar zorgen om haar kind en de dromen die zij heeft aan de vooravond van haar uitlevering aan de wilde dieren. Zelfs in dit verslag komen de frustratie van haar ondervrager en de felheid waarmee hij haar tot bezinning probeert te brengen goed over. 

'Heb medelijden met de witte haren van je vader, heb medelijden met je kleine kindje,' drong hij aan. 'Breng gewoon een offer voor het welzijn van de keizer.'
'Dat zal ik niet doen,' was haar antwoord. 
'Ben je christen?' vroeg hij nu, de formele vraag stellend.
Toen ze zei dat ze dit waschristiana sumwerd ze ter dood veroordeeld. De procurator was duidelijk verbijsterd en naar het schijnt ook het publiek dat haar in het amfitheater zag sterven. Romeinse bloedsporten waren onderhevig aan vrij strikte regels. Het waren dieren en misdadigers en de onderklasse van slaven die er gedood werden, geen jonge moeders."  

¹ Uit het gedicht "Het ingrijpen van de goden" van Konstantinos Petrou Kavafis (1899)
² Uit: Niccolo Machiavelli, Dell' Arte della Guerra, 1520
³ Voor een goed inzicht in de griezelige kinderlijkheid van mensen zoals Bernays: zie Mario Vargas Llosa's nieuwe roman Bittere tijden, die in september in vertaling uitkomt bij uitgeverij Meulenhoff (kinderlijkheid is alleen benevolent in kinderen).

Honderd jaar eenzaamheid is geen roman, maar een mythologie.
⁵ In de studie Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus (1905), die ik als student heb gelezen, veronderstelt Max Weber dat het kapitalisme is voortgekomen uit het calvinistisch ascetisme. Dit is ten dele waar.
⁶ 938 na de stichting van Rome (Ab Urbe Condita / AUC)!

vrijdag 18 april 2014

Ze vertrokken even nieuwsgierig als ze gekomen waren

Gabriel García Márquez
"Dokter Urbino wilde een hondensiësta gaan houden voor het tijd was voor de galalunch van dokter Lácides Olivella, maar hij trof het dienstpersoneel in staat van opwinding aan omdat ze probeerden de papegaai te vangen, die naar de hoogste tak van de mangoboom was gevlogen toen ze hem uit de kooi haalden om hem te kortwieken. Het was een kale, maniakale papegaai, die niet praatte als het hem werd gevraagd, maar wel op de meest onverwachte momenten, maar dan deed hij het met een duidelijkheid en een scherpzinnigheid die niet erg algemeen waren bij menselijke wezens. Hij was door dokter Urbino persoonlijk tam gemaakt en dat had hem privileges bezorgd die niemand ooit had gehad in de familie, zelfs de kinderen niet toen ze klein waren.

Hij was al meer dan twintig jaar in huis en niemand wist hoeveel jaar hij daarvoor al had geleefd. Iedere middag na de siësta was dokter Urbino met hem op het terras van de binnenplaats gaan zitten, dat de koelste plek van het huis was, en had de strengste middelen van zijn pedagogische hartstocht aangewend, tot de papegaai Frans had leren spreken als een academicus. Daarna leerde hij hem, louter omdat hij het niet laten kon, de begeleidende tekst van de mis in het Latijn en een paar speciale stukken uit het evangelie van Mattheus en probeerde hij hem zonder succes enig automatisch begrip voor optellen, aftrekken, delen en vermenigvuldigen bij te brengen. Van een van zijn laatste reizen naar Europa bracht hij de eerste fonograaf met hoorn mee en veel platen, populaire en zijn favoriete klassieke componisten. Dag in, dag uit, steeds en steeds weer liet hij de papegaai een aantal maanden lang de liedjes van Yvette Gilbert en Aristide Bruant horen, die Frankrijk in de vorige eeuw in vervoering hadden gebracht, tot hij ze uit zijn hoofd kende. Hij zong de liedjes met een vrouwenstem als ze van haar waren en met een tenor als ze van hem waren en hij eindigde met een serie libertijnse schaterlachen, die de spiegel vormden van het schaterlachen waarin de dienstmeisjes uitbarstten als ze hem in het Frans hoorden zingen. De roem van zijn kunsten was zo ver doorgedrongen dat er soms toestemming werd gevraagd om hem te mogen zien door aanzienlijke bezoekers die met de rivierschepen uit het binnenland kwamen, en een keer wilden enige Engelse toeristen van de vele die in die tijd op de bananenboten uit New Orleans langs voeren hem tegen willekeurig welke prijs kopen. Maar zijn grootste gloriedag was toen de president van de Republiek, don Marco Fidel Suárez, met de ministers van zijn voltallige kabinet, naar het huis kwam om vast te stellen of zijn roem verdiend was. Ze kwamen om ongeveer drie uur 's middags aan, gesmoord in hun hoge hoeden en hun kamgaren pandjesjassen, die ze in drie dagen van officieel bezoek onder de witgloeiende augustushemel niet hadden uitgetrokken, en ze moesten even nieuwsgierig weggaan als ze gekomen waren, want de papegaai weigerde ook maar pap te zeggen tijdens twee uur wanhopig wachten, ondanks de smeekbeden en de dreigementen van dokter Urbino, die op die vermetele uitnodiging had gestaan, tegen de wijze raad van zijn vrouw in. Het feit dat de papegaai zijn privileges had behouden na die historische misstap, was het afdoende bewijs van zijn heilige rechten."  

Uit: Liefde in tijden van Cholera / Gabriel García Márquez / Meulenhoff 1999

woensdag 15 juli 2020

Die avond begon ik te lezen

Cien años de soledad (uitsnede uit het omslag
van de eerste druk)

In 1986 las ik een boek dat alle boeken die ik tot dan toe had gelezen overtrof. Het was Liefde in tijden van cholera van Gabriel García Márquez (ik schreef er al eerder over).
Ik kocht het op een vroege ochtend met gepast geld in boekhandel Athenaeum.
Ik begon er in te lezen en toen ik het 's avonds uit had merkte ik dat het te laat was om nog eten te kopen.
In die tijd gingen de winkels om zes uur 's avonds al dicht en pas 's ochtends om negen uur gingen ze weer open.
Ik had niks gemerkt van het verstrijken van de uren. Als er in plaats van uren jaren voorbij waren gegaan had ik ook niks gemerkt.
Nooit eerder had ik me zo verloren in een boek en ik verbeeld me dat de twee hoofdpersonen Florentino Ariza en Fermina Daza zich mij herinneren uit die lang vervlogen tijd dat ik bij hun op bezoek was.

Die avond kwam W. bij mij langs.
"Ken je Honderd jaar eenzaamheid?," vroeg hij. 
Die titel kende ik natuurlijk. Het klonk verschrikkelijk eenzaam en ik
nam me voor om dat boek te gaan lezen als ik oud was.
Twee weken geleden herinnerde Honderd jaar eenzaamheid me aan mijn voornemen van destijds. Het was het enige overgebleven boek in de verder helemaal leeggehaalde en in dozen verpakte bibliotheek van O., die met meeneming van al zijn boeken ging verhuizen naar een ander continent.
"Mag dit boek achterblijven op het onze?" vroeg ik.
Die avond begon ik te lezen.

maandag 15 april 2019

Het snikken van meer dan dertig jaar geleden

Glazen traan van Man Ray
Er is een boek dat me aan het snikken heeft gebracht.
Het is Liefde in tijden van cholera van Gabriel Garc
ía Márquez.
Ik herinner me het snikken van meer dan dertig jaar geleden goed.
Het was een waterballet.
Het hield niet op.
Het stroomde uit mijn ogen, van de trappen af, naar beneden, door de voordeur de straat op, de stad in. De straten werden rivieren.
Ik had het boek 's ochtends vroeg gekocht bij boekhandel Athenaeum op het Spui. Ik was meteen gaan lezen en om een uur of vier in de middag kwam ik bij de passage die het snikken veroorzaakte.
Vandaag vond ik de passage bij toeval terug. Ik had de passage wel eens gezocht, maar ik kon hem niet vinden omdat ik ervan overtuigd was dat hij in het midden van het boek stond op een linkerpagina.
Maar hij stond aan het einde van het boek op een rechterpagina.
Hier is de passage:

(…) Er waren twee weken van stilte voorbij gegaan, toen een van de dienstmeisjes haar tijdens de siësta wakker maakte met een alarmerend gefluister. 'Mevrouw, zei ze, 'daar is don Florentino.'
Daar was hij. (…)

vrijdag 5 november 2010

Je mag maar één boek meenemen

Jaroslav Hašek (1883-1923)
Gisteren vroeg iemand wat het mooiste boek was dat ik ooit gelezen heb.
Dat is een gemakkelijke vraag om te stellen, maar geen gemakkelijke vraag om te beantwoorden.
Ik zei: "Ik hou van Ecce homo van professor Nietzsche, van Gargantua en Pantagruel van Rabelais, van Dode Zielen van Nikolai Gogol die op 1 april werd geboren en van De lotgevallen van de brave soldaat Svejk van Jaroslav Hasek. Dat zijn geloof ik mijn mooiste boeken, samen met..."
Ik wou nog een serie boeken noemen, waaronder enkele van Robert Musil en Konstantin Paustovski, en Liefde in tijden van cholera van Gabriel García Marquez.
Dat was niet de bedoeling.
"Je mag maar één boek meenemen naar het onbewoonde eiland."
Het zou interessant zijn om eens te onderzoeken wanneer het onbewoonde eiland een rol is gaan spelen in de verbeelding en de conversatie.

vrijdag 10 mei 2013

Magisch realisme van de bovenste plank

De schrijver schrijvend
De roman Liefde in tijden van cholera van Gabriel García Márquez kwam uit in 1986.
Dat is bijna dertig jaar geleden.
Vandaag pakte ik het boek uit de boekenkast om er iets in op te zoeken.
Het boek staat op de bovenste plank samen met andere boeken die ik zeer goed vind.
Er dwarrelde een geldbriefje van honderd gulden uit.
Ik raapte het van de grond.
Voor het eerst in mijn leven leverde de literatuur me wat op.
Magisch realisme van de bovenste plank!