Ik droomde dat het winter was.
Ik liep met mijn vader en moeder door de sneeuw.
Wij waren alledrie even oud.
Wij waren een jaar of elf.
Wij gingen naar de ijsbaan.
Onze schaatsen hingen om onze nek.
2. (Over voelen en weten)
"Je vóelt de gaten in je sokken misschien niet, maar je wéét dat ze er zitten en daardoor voel je ze toch."
3.
Ik werd op straat aangesproken door een man.
Hij zei: "U bent toch historicus? Weet u misschien een goed boek over slavernij? De familie van mijn vrouw heeft een slavernijverleden en daar is weinig over geschreven. Mijn opa is omgekomen in Auschwitz, maar daar is veel over geschreven."
Hoe wist die man dat ik een historicus ben?
4.
Ik kijk niet meer naar tennis. Djokovic wint alles. Ik vind onoverwinnelijkheid een vervelende eigenschap.
5. (Kort gesprekje met Z.)
"Pap?"
"Ja?"
"Wil je even de moisturizing curl activation cream brengen? Het is een witte fles met gele letters, hij staat op tafel."
6. (Over het gesprek op Suikermeloen 3 Warmtemaand 229)
Dr. T. is een zachtgestemd mens.
Zijn kamer is zo moeilijk te vinden in het grote ziekenhuis dat ik een begeleider mee krijg om me erheen te brengen.
Bij metingen (en bij toeval) zijn er een tijd geleden veranderingen geconstateerd in de toestand van mijn bloed.
Dr. T. is erbij gehaald om vast te stellen wat de oorzaak is.
In zijn kamer staan: een bed, een kamerscherm, een bureau met een computer, drie stoelen, een opvallend gezonde plant en dr. T.
Aan de muur is een wastafel bevestigd met een spiegel erboven.
De oorzaak van de veranderingen, zegt dr. T., ligt in het beenmerg waar het bloed gemaakt wordt.
Het komt niet door roken of drinken, het is niet erfelijk, het is gewoon pech.
De veranderingen zijn waarschijnlijk het prille begin van leukemie.
7.
Een dikke bromvlieg kwam plots binnen vallen door het open raam. Hij vloog breeduit en stuurloos in het rond en precies zo vloog hij ook weer naar buiten.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten