zaterdag 30 augustus 2014

Juttersmuseum (1)

Internet is een oceaan. Af en spoelt er wat wrakhout van de schipbreuken uit je verleden aan op de kust, of wat overboord geslagen lading van je nog varende schepen. Zo vond ik laatst op het strand onderstaand stukje, dat ik bijna twintig jaar geleden typte voor het in volle zee vergane vlaggenschip De Volkskrant, door mijn benedenbuurman van destijds steevast De Kutkrant genoemd, naar een bekend pesterig lied van de in de jaren zeventig van de vorige eeuw nogal populaire zanger Jaap Fischer (Joop Visser).
Het leven stroomt niet langer uit in lucullische vergetelheid, maar op het wat armelijke internet. En dus worden we zo langzaamaan strandjutters van onze eigen geschiedenis. Hier het stukje dat ik vond tussen de schelpen en de wieren:

Hond in zee

Ik was aan het strand. Ik ging daar wandelen. De zee is net een heel groot dier, dat rustig ademt in zijn slaap.
Naast mij de zee en de ondergaande zon. De zon maakt veel lawaai. Geleerden zijn erachter gekomen dat het lawaai van de brandende zon oorverdovend is. Alleen horen wij het niet. Voor ons lijkt het een muisstil vuur dat daar brandt. Ik dacht: wat zou er te horen zijn als je een microfoon bij de draaiende aardbol hield? Wat zou er dan te horen zijn?
Wapengekletter en liefdesliedjes.
Er was een rustige branding. Ik zag een hond op een luchtbed. De hond liet zich heerlijk heen en weer wiegen op de golven. Hij lag op zijn rug op het luchtbed, poten omhoog. Soms viel hij eraf, in zee, en dan klom hij er gauw weer op. Ik wist niet dat er zulke honden bestonden. Ik bleef een hele tijd naar dat beest kijken want ik geloofde niet wat ik zag. Toen ik verder liep, langs de zee, met mijn blote voeten in het zand, en honderd meter verder omkeek, toen was dat beest nog steeds in de weer met dat luchtbed. Erop en eraf, erop en eraf. Een hond die ik ken, een Petit Basset Griffon Vendéen, bijgenaamd de gebaarde duivel van het struikgewas, die lacht wel eens in zijn slaap.
Maar deze hond, die lachte terwijl hij in de golven aan het spelen was. Als er een grote golf aan kwam, dan begon hij opgewonden te blaffen en dook hij in de golf. Dat was zo'n komisch gezicht. In de lucht zweefden meeuwen zo groot als vliegtuigen. Er waren veel mensen op het strand, ondanks het late uur.
Ik wandelde langs het naaktstrand en daar zag ik iets dat nog gekker was dan de hond op het luchtbed, namelijk een naakte vrouw. Dat was op zichzelf niet gek. Maar ze droeg een pikzwarte zonnebril, en dat was het enige wat ze droeg. Haar ogen waren niet te zien maar haar billen en borsten - en alles - wel.
In de buurt waar ik woon loopt elke dag een vrouw door de straat. Ze is helemaal in het zwart gekleed, alleen haar ogen zijn te zien door een spleetje in een pikzwart kleed, dat heel haar lichaam bedekt. Ze is van fundamentalistische komaf, je weet wel. Ik moest denken aan haar, aan haar glanzende ogen, toen ik dat vrouwenlichaam zonder ogen in het rond zag springen op het strand. Het was precies het omgekeerde, snap je wel? Dat is wat ik dacht, terwijl de zee, dat dier, rustig doorademde en de hond op het luchtbed van geen ophouden wist als een kind.

2 opmerkingen: