vrijdag 9 oktober 2020

Er stroomde een beekje door de kamer

Sigmund Freud (1856-1939)
Sommige mensen die ik ken komen nooit opdraven in m'n dromen, andere geregeld of vaak, een enkeling zelfs te vaak.
Schijnbaar is de ene mens droombaarder dan de andere. Wat zou toch de eigenschap zijn die iemand geschikt maakt om door mij gedroomd te worden?
Vannacht droomde ik het volgende (soms moet je het even over dromen hebben): ik zat op een rotspunt in m'n kamer uit te kijken over een tamelijk woeste rivier (of zee). Schuim en water spatten in m'n gezicht. Er stroomde een beekje door de kamer en door dat beekje kwam J. aanwandelen met haar fiets aan de hand. Ze ging naast me op de rotspunt zitten en het viel haar op, zei ze, dat er nog etensresten lagen uit de vorige droom (vleesjes die we nog niet geroosterd hadden). Wat zijn dromen toch curieus. Je kunt er geen chocola van maken (de chocolademaker uit Wenenzie fotokon dat wel).

Geen opmerkingen:

Een reactie posten